Een koetje in de grill

De werkelijkheid kan absurdistischer zijn dan fictie. Ilona Verhoeven

ziet meer dan zij ziet.

Het was de hele dag drukkend warm geweest, in de verte boven het bos rommelden zacht enkele onweerswolken. De vertrouwde geur van geroosterde worst en karbonades drong langzaam door heggen en coniferenhaagjes.

Plotseling klonk over de totale lengte van het pad een ritmisch gebonk. Een korte, plaatselijke beving ging door alle caravans.

De kopjes rinkelden boven het aanrecht bij Bets en Job, die gasten met de bijna opgloeiende roze gezichten – iemand wist te vertellen dat hun enorme lijven ook zo vreemd lichtgekleurd waren, wat verklaarde dat ze naarmate het zonniger werd hun hut niet meer uitkwamen.

Toevallig kreeg tante schorre Corrie alles mee wat er gebeurde, via haar zijraam, het grote met het vrije uitzicht.

Marga holde over het pad. Twee tellen later kwam haar geliefde Ton erachteraan. Ze hadden geen schoenen aan, te horen aan het donkere gedreun bij elke sprong.

Cor was half onderuit op de bank gaan liggen, onzichtbaar, alleen haar bastaard koningspoedel Pieter bleef parmantig naar buiten zitten koekeloeren.

„Ik. Wil. Géén. Crematorium in de tuin!” imiteerde Cor Marga naderhand. Uit Cors raspende keel kwamen de woorden over als een geheime boodschap. „Het is een barbecue, geen crematorium”, had Ton lijzig gereageerd. Waarop Marga was gaan schreeuwen: „Zoek het maar uit ook, met die caravan, straks verbouw je dat wonderding van je nog tot een gigantische supergrill! Kun je fijn ‘alles-met-iedereen-delen’. Weet je wat, stop er maar metéén een lekker koetje in, met deze hitte is het sowieso al een oven.”

Iedereen hield veel van elkaar op de camping. Van elkaar en van vlees.