Zijn problemen had hij anders moeten oplossen

Jahsin staat terecht voor afpersing en bedreiging van een winkelier. Hij heeft niemand afgeperst, zegt Jahsin. Het lijkt zijn woord tegen dat van de winkelier en de politie.

Vijftigduizend euro zou hij hebben afgeperst – vijfduizend euro per maand. Als de winkeleigenaar niet zou betalen voor ‘bescherming’ zou hij met z’n leven betalen. De beschuldigingen zijn heel ernstig. De kwestie speelt in een Amsterdamse volksbuurt, binnen de Turkse gemeenschap. Na aangifte door de winkelier werd de telefoon van Jahsin getapt. In de winkel werd opnameapparatuur verborgen, voor het geval hij of z’n vrienden langs zouden komen.

De strafkamer zit die ochtend met een dik dossier, vol tapverslagen en uitgewerkte verhoren. Er staat een muur van beschuldigend papier waar Jahsin zich uit moet praten. Zijn versie is namelijk héél anders. Hij heeft niemand afgeperst. De winkelier al helemaal niet. Die had juist hem ingehuurd, als beveiliger, voor wel 2.000 euro per maand. Jahsin zat diep in de schulden; hij moest alimentatie betalen voor drie kinderen. Hij werkt bij een supermarkt, als beveiliger. En in de weekenden ’s nachts in de horeca.

Binnen de Turkse gemeenschap hielp hij wel vaker conflicten oplossen. Dus toen die winkelier hem benaderde, keek hij daar niet van op. De man zou afgeperst worden. Of Jahsin af en toe eens een dagje in de winkel kon staan. Of met hem over straat zou gaan – dan zou duidelijk zijn dat hij werd beschermd. Zo spraken ze het af, mondeling.

Maar betalen deed hij niet

En dus nam Jahsin af en toe vrij van de supermarkt. Maar betalen deed de winkelier dus niet. De eerste maand niet en de tweede maand niet. En de derde ook niet. Toen werd Jahsin boos. Eerst stuurde hij sms’jes, daarna gingen z’n vrienden langs. En ten slotte ging hij zelf. En ja, toen heeft hij verkeerde dingen gezegd. Maar die kun je in het Turks ook ánders uitleggen. En hij wist natuurlijk niet dat de winkelier bij de politie uitgerekend hem had aangewezen als de afperser. Jahsin voelde zich voor de gek gehouden. „Jij bent naar mij gekomen”, schreeuwde hij in de winkel. Maar dat had de meeluisterende recherche niet geloofd. De winkelier had de politie immers verteld over een criminele familie, waar ze al langer benieuwd naar waren. Deze Jahsin kwam het vuile werk doen – zo schreef de politie het op. Het was het woord van Jahsin tegen dat van de winkelier en de politie.

Maar dan klapt de zaak om. Dit blijkt al de tweede zitting. Er zijn nieuwe verhoren geweest bij de rechter-commissaris. Daar heeft de winkelier toegegeven dat hij loog. Jahsin is niet de afperser en is dat ook nooit geweest. Hij was inderdaad ingehuurd als beveiliger tégen afpersers. Het enige wat in deze zaak overblijft, is de (afgeluisterde) uitroep van Jahsin als hij de winkelier om zijn geld vraagt: „Man, jij bent dood, ik zweer het.”

De officier is in zijn requisitoir vergoelijkend over ‘verkeerde taal’ die in boosheid is gebruikt. Bedreiging blijft het wel, meent hij. Of de meervoudige strafkamer deze kleine zaak maar „klein wil houden”? Schuldig zonder straf volstaat, meent de officier. Ook omdat Jahsin al drie dagen in voorarrest zat. Jahsin is doodsbang dat hij zijn beveiligingspas kwijtraakt bij een veroordeling – de politie waarschuwde er al voor. Dan is hij werkloos. Bij de supermarkt liep hij een vaste aanstelling mis, nadat de politie hem daar kwam arresteren. „Ik zal het nooit meer zó doen”, zegt hij.

De rechtbank vindt de zaak niet klein en veroordeelt hem voor afpersing en dreigen met geweld tot 120 uur taakstraf en twee jaar proeftijd. De rechtbank vindt dat Jahsin zijn ‘incassoprobleem’ anders had moeten oplossen: met een schriftelijke aanmaning, ingebrekestelling en een procedure bij de rechter.