Column

Vadergedicht

In mijn boekenkast vond ik een vergeten poëziebloemlezing uit 1958, getiteld 1 pk; honderd gedichten van honderd dichters verzameld door Hans van Straten. Ik bladerde het boekje door en moest lachen om het nonsensgedichtje H2 O Jé van John O’Mill: In Connecticut/ in ’n waterput/ verdronk m’n tante Eefje./ Nog jaren later/ dronk oom ’t water/ uitsluitend door ’n zeefje.

Maar verderop verging me het lachen bij het gedicht In memoriam patris van Willem Hijmans. Ik las en herlas een aangrijpend gedicht over een zoon aan het sterfbed van zijn vader. Ik kon me niet herinneren het ooit eerder gelezen te hebben; ook van Willem Hijmans had ik nooit gehoord. Toch deed zijn gedicht niet onder voor bekende, gelijknamige vadergedichten, zoals die van Ida Gerhardt en J. Slauerhoff; ik vond Hijmans’ gedicht eigenlijk nog mooier, omdat hij zo treffend de machteloosheid van de zoon beschrijft, die beseft dat zijn vader onbereikbaar is geworden.

O, nu moest hij maar sterven, zeiden wij,

want zo kan niemand leven, die zijn tijd

een levend mens was, vol van de verlangens

waardoor wij leven in bezetenheid.

Maar hij was hulpeloos als een kind geworden

en hij sprak zeer verward over de dagen

van zijn volwassenheid toen ik zijn kind was.

Hoe moeilijk is de mannelijkheid te dragen,

zijn vader als een kind gerust te stellen –

Doe nu je ogen dicht en ga maar slapen,

ga maar slapen en rust heerlijk uit,

hoor hoe die merel in de bomen fluit,

we krijgen regen, ga nu rustig slapen.

Praat niet zoveel, ja, ik blijf altijd bij je,

ik ga niet weg, ik ben toch steeds gekomen?

Je moet niet van die nare dingen dromen,

doe nu je ogen dicht, heus, ik blijf bij je. –

Hoe moeilijk is de mannelijkheid te dragen

als men een kind wil zijn en bij zijn vader schreien.

En hoe eenzaam waren je laatste dagen,

hoe stierf met jou het kind in mij en

hoe stierven mijn kindervragen.

Het gedicht was afkomstig uit het literaire tijdschrift De nieuwe stem uit 1956. Hijmans bleek ook te figureren in de boeken van literatuurhistoricus Piet Calis over de literaire tijdschriften tussen 1941 en 1951. Daarin beschrijft hij hoe Hijmans (hier Wim genoemd) als 18-jarige gymnasiast in Leeuwaren samen met een andere scholier, Gerrit Meinsma, in 1944 het literaire blad Podium opricht. „Hun bedoeling was in een eigen tijdschrift – vrij van de censuur door de Duitsers – verzen van henzelf en van hun vrienden en vriendinnen te publiceren en daardoor geld bijeen te brengen voor de illegaliteit.”

Na twee nummers moesten zij onderduiken. Hijmans was na de oorlog slechts enkele jaren redactiesecretaris van Podium. Hij droomde van een schrijverschap, maar ik kon geen dichtbundel van zijn hand traceren. Piet Calis vertelde me dat Hijmans in de journalistiek gewerkt had, onder meer voor Het Vrije Volk en het Algemeen Handelsblad, en later hoofdvoorlichter van het Rijksmuseum en voorlichter van het ministerie van CRM werd. Hij stierf in 1980. Zijn gedicht leeft voort, hoop ik.