Ook Thalys geen reden tot meer schijnveiligheid

Bevoegdheden van opsporings- en inlichtingendiensten verschuiven van need to know, naar nice to have. Privacy wordt het stiefkind van veiligheid, vreest Kees Verhoeven.

De verijdelde aanslag op de Thalys laat opnieuw zien hoe onze samenleving op de proef wordt gesteld. De behoefte aan veiligheid in publieke ruimten roept al snel om maatregelen. Maar hoe beveilig je een open samenleving? En hoe voorkom je dat juist die openheid en rechtsstatelijkheid die Nederland als zijn kracht beschouwt, door het geweld verloren dreigt te gaan? Bij onveiligheid schiet de politiek al snel in een kramp, roept om ingrijpende maatregelen. Maar schijnveiligheid ligt op de loer en daarbij speelt het ‘Big Brother is watching you’-syndroom ons steeds meer parten.

„Privacy gaat ons allen aan het hart”, zo verdedigde een regeringsparlementariër begin dit jaar nog het coalitievoorstel om bij ernstige datalekken de privacywaakhond juist aan de ketting te leggen. Het is een hypocriete belijdenis aan artikel 10 van de Grondwet die we de afgelopen vier jaar in de Kamer vaker van coalitiezijde hebben gehoord en die zich dit najaar opnieuw doet gelden. Nederland staat namelijk aan de vooravond van een vergaande verruiming van de bevoegdheden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Met ingrijpende gevolgen voor alle Nederlanders. De NSA-afluisterschandalen, Snowden-onthullingen en rechterlijke uitspraken over te vergaande privacyinbreuken door justitie ten spijt wil het kabinet niet minder, maar juist méér toegang tot onze privégegevens. Wat is dit privacyrecht nog waard als de staat ongebreidelde toegang tot privédomein opeist? Zonder gedegen onderbouwing en waarborgen kunnen voorstellen die privacyrechten ondermijnen, wat D66 betreft, linea recta in de prullenbak. Voorkom dat privacy het stiefkind van veiligheid wordt.

De spanning tussen privacy en opsporing neemt zienderogen toe. Steeds vaker wordt een verwrongen tegenstelling gecreëerd alsof privacy van onschuldige Nederlanders de opsporing van criminelen in de weg zou staan. Zo wil het kabinet massaal kenteken- en locatiegegevens van alle auto’s opslaan en kwam het vorig jaar met het plan voor een vakantieregister van alle Nederlanders. Er ligt een wetsvoorstel waarmee de politie computers mag hacken en minister Van der Steur wil, ondanks alle kritiek van rechters en deskundigen, doorgaan met de bewaarplicht van al onze telecomgegevens. Ondertussen wil minister Plasterk dat geheime diensten ‘ongericht’ internet kunnen aftappen. Al onze e-mails, Facebookpagina’s, chats en nog veel meer, zijn dan niet langer alleen van onszelf. De bevoegdheden van de opsporings- en inlichtingendiensten verschuiven steeds meer van need to know, naar nice to have.

Onschuldige Nederlanders kunnen daardoor in sleepnetten van opsporingsdiensten verstrikt raken. Artikel 10 van de Grondwet en ook het onschuldbeginsel dreigen een holle frase in het wetboek te worden.

Een keerpunt is nodig. Het kabinet komt dit najaar met drie wetten die de privacy van Nederlanders ernstig kunnen aantasten: de bewaarplicht telecomgegevens, ongericht internettappen en de ‘hackpolitie’. Drie voorstellen die de bevoegdheid van de opsporingsdiensten vergroten. Maar wat is de noodzaak om bevoegdheden nog verder te verruimen? Wat leveren zulke vergaande schendingen van privacy precies op? En zijn bestaande mogelijkheden die minder ingrijpend zijn, wel ten volle benut? Uit onderzoek van het wetenschappelijk bureau van Justitie (WODC) blijkt bijvoorbeeld dat aftappen zelden direct bewijs oplevert voor misdaad. Bovendien is het een tijdrovende bezigheid. Opsporingsdiensten tappen in Nederland nu al zo veel telefoons en dataverkeer af dat het ten koste gaat van de opsporingscapaciteit.

Bij ingrijpende bevoegdheden is ook onafhankelijk toezicht noodzakelijk. Dat kan alleen als het College bescherming persoonsgegevens en de toezichthouder op de inlichtingendiensten (CTIVD) de capaciteit en mogelijkheden krijgen om dat toezicht ten volle uit te voeren. Hoe wordt daarin voorzien? Bovendien, bij aanslagen zoals eerder dit jaar in Parijs en onlangs verijdeld in de Thalys, blijkt dat het niet gaat om gebrek aan informatie. Verdachten waren bekend bij de veiligheidsdiensten.

Van der Steur berichtte de Kamer deze zomer dat hij niet kan aantonen wat de bewaarplicht precies oplevert aan veiligheid en wat er mis gaat als die gegevens niet langer beschikbaar zijn. Wel meent hij dat het niet kunnen inbreken op de privacy van alle Nederlanders betekent dat grotere inbreuk op de privacy van verdachten zal plaatsvinden en dat onderzoeken langer zullen duren. In plaats van een stevige onderbouwing kiest het kabinet daarmee voor de omgekeerde wereld. Niet rechtsstatelijke waarborgen voor de bescherming van onschuldige burgers, maar gemakzucht bepaalt het beleid.

Dat zien we ook bij het wetsvoorstel van minister Plasterk om de inlichtingendiensten ongericht al het internetverkeer te laten tappen. Het helpt cyberaanvallen en digitale spionage te bestrijden, stelt de minister, maar de verhouding tot privacy van onschuldige burgers wordt daarin nauwelijks meegenomen. Het kabinet negeert met deze voorstellen de uitspraken van de rechter en adviezen van de Raad van State en het College bescherming persoonsgegevens.

Met deze houding creëert het kabinet schijnveiligheid en loopt Nederland achter op landen die de grondrechten van hun staatsburgers wel serieus nemen. Hoe kan het dat de privacy van Duitsers beter beschermd is dan van Nederlanders? Duitsland heeft geen bewaarplicht voor telecomgegevens, zodat telefoon- en internetgegevens daar niet ongebreideld worden bewaard. Het Duitse parlement mag jaarlijks de tapoverzichten van het ministerie van Justitie inzien met gedetailleerde informatie over hoeveel mensen via telefoon en internet zijn afgeluisterd, hoelang en waarom. Een must have voor een goede parlementaire controle. Nederland zou hier een voorbeeld aan moeten nemen.

Onze open samenleving is onze kracht, te vergaande maatregelen onze zwakte. Dit najaar behandelt de Tweede Kamer de gehekelde drie wetsvoorstellen. Het is hoog tijd dat een meerderheid voor de privacy van Nederlanders gaat staan. Privacy gaat ons allen aan het hart, zoals die regeringsparlementariër zei. Geen woorden, maar daden, zeggen wij.