Niet-spionnen die als spion gaan werken, dat is pas link

De controle versnippert, waarschuwt ex-AIVD’er Kees Jan Dellebeke.

‘Voorkom dat privacy het stiefkind van veiligheid wordt, schrijft D66. Dat is tendentieus en bovendien onjuist geformuleerd. Privacy en veiligheid zijn geen familie, het zijn elkaars vijanden. Vervolgens verdwaalt D66 in de verschillen tussen het werk van inlichtingendiensten en opsporingsdiensten. Inlichtingendiensten mogen zich niet inlaten met opsporing. Dit heeft zijn oorsprong in de wens geen politiestaat of Stasi te willen.

Justitie kan geen opdrachten verstrekken aan een inlichtingendienst en gegevens van die diensten kunnen niet zomaar door politiemensen worden gebruikt, anders dan na het verstrekken van gegevens door de AIVD aan het OM.

D66 lijkt zich slechts zorgen te maken over het onderscheppen van bulk-communicatie en het binnendringen in pc’s of telefoons. Die invalshoek zorgt voor blinde vlekken. Want ook de bevoegdheden van honderden overheidsfunctionarissen die door de AIVD en MIVD worden aangewezen om werkzaamheden te verrichten worden fors uitgebreid in het Voorstel van Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (zie internetconsultatie.nl). Deze ‘externe ambtenaren’ krijgen de mogelijkheid undercover te werken. Het gaat om ambtenaren van politie, marechaussee, FIOD, douane, IND en van de Inspectie van Sociale Zaken.

Ik betwijfel of een andere identiteit (‘cover’) de gewenste bescherming biedt in gevaarlijke omstandigheden. Goed opgeleid AIVD-personeel zelf vindt het al lastig genoeg om undercover te werken. Steeds vaker dreigt het gevaar van ontdekking door digitale controles, onder meer bij grensoverschrijdingen. Een andere identiteit of hoedanigheid is een wassen neus en biedt steeds minder bescherming. Dus je moet niet willen dat (burger-)personeel van andere ministeries, dat van basisinlichtingenwerk geen kaas heeft gegeten, voor operationeel, undercoverwerk wordt ingezet.

Inlichtingendiensten achten het nu noodzakelijk om veel meer functionarissen van andere ministeries operationele werkzaamheden ‘undercover’ te laten verrichten. Daarmee groeit de kans dat het toezicht op extern personeel versnipperd raakt, de uitvoering van werkzaamheden diffuus en de controle problematischer.

Kan de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten hierover openbaar rapporteren of alleen aan de parlementaire commissie, de ‘commissie-stiekem’. Komt het openbare toezicht en de parlementaire controle niet verder onder druk? En dat terwijl veel Kamerleden juist meer zicht en parlementaire controle op de in hun beleving troebele werkwijzen van de inlichtingendiensten wensen. Zij moeten bij de behandeling van deze wet goed op hun tellen passen.