Als God een slak was, zouden we dan nog geloven?

Dit keer geen dieren als personages. De nieuwe roman van Toon Tellegen draait om een jonge verteller die op zoek is naar God. Maar gelukkig zijn de dieren nooit ver weg.

Illustratie Paul van der Steen Illustratie Paul van der Steen

Een van de mooiste Nederlandse korte verhalen begint zo: ‘Elke avond, als de zon onderging, klom de klipdas op een klein heuveltje en riep: „Niet ondergaan! Niet doen! Wil je dat wel eens laten! Ik waarschuw je!” Hij zwaaide met zijn vuisten, sprong op en neer en kreeg tranen in zijn ogen van woede.’ En op de volgende regel: ‘Maar de zon ging altijd onder.’

Het verhaal (het staat op een krantenknipsel dat ik vond in Toon Tellegens verzamelbundel Misschien wisten zij alles) brengt de elementen samen die de dierenverhalen van Tellegen zo bijzonder maken: de naïviteit, de verwondering en de diepe verbondenheid met de wereld van zijn dieren – of het nu de eekhoorn, de mier of de krekel is. Hoe onbegrijpelijk het bestaan ook is, Tellegens mensendieren proberen er toch iets van te begrijpen – en er samen iets van te maken.

De nieuwe roman van de inmiddels 73-jarige Tellegen is geen dierenverhaal. Een vorig leven is opgezet als herinneringenboek, waarin de hoofdpersoon terugkijkt op zijn jeugd in het stadje N., dat wel wat weg heeft van Brielle, waar de schrijver opgroeide. Centraal in het boek staat de relatie tussen de jonge verteller (die op zijn twaalfde het stadje verliet) en Jacob Laagwater, de vader van een van zijn schoolvriendjes.

De hoofdpersoon komt vaak bij de Laagwaters thuis. Gaandeweg is het hem meer om de vader te doen dan om de zoon. De jongen heeft wel wat gemeen met de dieren die Tellegens bos bevolken, zeker in zijn vermogen om zich te verwonderen – met name over woorden. Wanneer Laagwater hem vertelt over het volgende leven, concludeert de jongen dat het leven dat hij nú leidt, dus wel het vorige leven moet zijn. Hij heeft een schrift waar hij bijzondere woorden in schrijft, zoals ‘querulant’, waarvan hij zich voorstelt dat het een vogel is (de roodkopquerulant, de bonte strandquerulant) die ergens zit te queruleren. Bij de querulant werkt het, maar Tellegen gebruikt het procedé zo vaak, dat het in de loop van het boek koket wordt, bijvoorbeeld wanneer het woord ‘gevolgen’ leidt tot de gedachte: ‘Ik zag een zee met huizenhoge golven en ik die daarin lag, mijn armen omhoog.’

Dat leidt de aandacht af van de sterkere punten in Een vorig leven, dat de meestal ongelukkige verhalen vastlegt van enkele stadsbewoners voor wie het leven te ingewikkeld is. Zoals de man die ‘Govverdomme’ mompelend over straat loopt, de man die zijn eigen huis afbreekt, de homoseksuele leraar die na een provocatie een oud-leerling slaat met fatale gevolgen – het loopt slecht met ze af.

Geestige verhalen over God...

In die wereld vol mislukkingen is de sterke, in de plaatselijke kalkfabriek werkende Laagwater een baken voor de jonge verteller. Op een gegeven moment meent hij zelfs dat de man hem via een stem in zijn hoofd opdrachten geeft. Laagwater vertelt de jongen het ene verhaal na het andere. Verhalen die te maken hebben met God en de Bijbel, al is Laagwater naar eigen zeggen gelovig noch ongelovig: ‘Het was of hij maar één doel had in het leven: aan te tonen dat wat de mensen over God beweren onjuist is. Niet dat het onzin is, maar onjuist.’

Dus vertelt Laagwater zijn gefascineerde jonge vriend hoe het wél zit. Dat levert onweerstaanbare apocriefe anekdotes op, zoals over de vreemde ontmoeting die Adam en Eva hebben, als zij juist uit het paradijs zijn verdreven, met een groep morsige mensen die Russen zeggen te zijn. Bent u ook in het paradijs geweest, wil Adam weten van een van hen, die Semjonov heet. ‘Het is ons wel aangeboden, maar we hebben ervan afgezien’, luidt het geweldige antwoord. Even later gaat de drankfles rond en wordt de slang boven een vuurtje geroosterd.

...met een ernstige ondertoon

Maar de meeste verhalen van Laagwater over God zijn niet zo vrolijk, wat te maken heeft met diens oorlogsverleden. De wereld die hij gezien heeft, is niet te rijmen met de gedachte dat uiteindelijk alles in de schepping goed is, zoals de verteller thuis en in de kerk te horen krijgt. In de loop van Een vorig leven draait het steeds meer om die ene vraag: wie of wat is de Almachtige als hij zoveel ellende op de wereld laat voortbestaan?

Het is een vraag die rechtstreeks aansluit bij de verwondering van de dieren in Tellegens bos en óók bij de gewoonte van de hoofdpersoon om vreemde woorden te inventariseren. Uiteindelijk is de hele roman een poging om de betekenis van het woord ‘God’ te achterhalen – ongetwijfeld zal de roman van Tellegen de komende herfst vanaf menige kansel aangehaald worden.

Dat laatste zal wel door vrijzinnige geestelijken moeten gebeuren, want waar Laagwater uiteindelijk bij uitkomt nadat er in het stadje een kind is gestorven bij een brand en hijzelf koortsig in bed ligt, is een tragische god: ‘Hij heeft louter goede bedoelingen, hij weet er zich alleen geen raad mee […] Hij is besluiteloos. De grote besluiteloze. Hij was erbij vorige week, bij de brand, ik weet het, hij had dat kind kunnen redden, hij had het móéten redden, hij wilde zo verschrikkelijk graag dat kind redden, zijn lieveling, iedereen is zijn lieveling, maar hij stond aan de grond genageld, en niet met spijkers door zijn voeten, maar zomaar, voor zich uit kijkend. Il grande indeciso, zo heet hij in het Italiaans.’

Vanaf die passage laat Tellegen de arme Laagwater zich steeds meer verliezen in hooggestemde visioenen – onherroepelijk naar de afgrond. De ware tragische figuur is hier natuurlijk niet God, maar Laagwater, de man die met de moed der wanhoop probeert te blijven geloven in een goede God. Het is een hopeloze, maar mooie missie – waarbij Tellegen de mogelijkheid openlaat dat het ongezonde werk in de kalkfabriek de geest van de arme Leegwater heeft aangetast.

En een zware conclusie

Meer dan over God gaat Een vorig leven over het verlangen om te geloven en de onmogelijkheid om dat geloof in overeenstemming te brengen met de wereld (en vice versa). Dat verlangen is precies wat de hoofdpersoon achterlaat als hij op zijn twaalfde uit N. vertrekt. Zoals zijn conclusie, nu in eigen woorden, luidt: ‘God is een slak, dacht ik, is een slak, is een slak.’ Waarmee Tellegen ons stiekem toch weer terug zijn dierenbos in heeft geleid.