Column

Ze zijn geen mensen, maar vluchtelingen

Kreeg een brief van Cordaid, waarin een citaat stond van een Syrische vluchteling die onder meer zei: „Ooit hadden we een normaal leven in een normaal land. Nu zijn we alles kwijt. De reis van Syrië via Turkije naar Griekenland was een hel. Bij de grens zijn we geslagen, ook onze kinderen.”

Ze zijn geen mensen, maar vluchtelingen. Dat woord lijkt al die verschrikkingen te impliceren, alsof vluchtelingen niets anders te verwachten hebben.

In het adembenemende verslag dat Gert van Langendonck in deze krant deed over de reis van een groep Syriërs naar Duitsland, werd laatst de ontzetting beschreven van een vrouw die ook een klap had gekregen, van de Servische grenspolitie. „Ik kan op straat slapen, ik kan honger lijden”, huilt ze. „Maar waarom moeten ze mij slaan? Ik heb niets verkeerd gedaan, behalve dat ik een Syrisch paspoort heb. Waarom word jij wel goed behandeld met jouw paspoort en ik niet met het mijne?”

Inderdaad. Waarom moet zij geslagen worden? Door een botte politieman die haar behandelt alsof ze een zwerfhond is. Ineens gedraagt iedereen zich superieur want ze is maar een vluchteling, onderdeel van een stroom die we liever kwijt dan rijk zijn. Niet langer is ze degene met de leuke baan en het nieuwe bloesje, degene die kinderen voorlas en conferenties toesprak, die bloemen in een vaas schikte en de aanschaf van een kunstwerk overwoog, die aan tafel zat met vrienden en gesprekken had over de wereld en het leven. Ze is nu ‘een Syrische vluchteling’.

Ik ben ooit een keer door een buschauffeur de bus uitgejaagd omdat ik verkeerd was ingestapt en heb daarna op de halte staan huilen van vernedering.

Dat was een uiterst draaglijke vernedering hierbij vergeleken, maar toch. Het gevoel erover was onderdeel van hoe ik mijzelf en mijn leven zag. Het leven dat je kwijt zou zijn op de dag dat bombardementen je stad verwoesten en je noodzaken om je huis te verlaten. Je eigen huis waar je al die zorg aan besteed hebt, waar je alles kent en liefhebt.

„Men grabbelt naar de sleutel in de tas./Men weet dat deze ene precies past./ Men doet de voordeur open, mens hand/ vond al de lichtknop op de tast” schreef Judith Herzberg.

Ja zo gewoon is het. En ineens, je de ontheemdheid indenkend, voel je de overvloed van de ons omringende dagelijksheid en hoe prijzenswaardig die is. Heel je leven met al die gewone dingen, van de boeken die je leest tot je handige fietstas, de geur en de verwachting van de ochtenden, het lamplicht ’s avonds met muziek, dat alles is van een ongelooflijke rijkdom en betekenis.

Naarmate de stromen verdrevenen toenemen, prijs je meer het geluk dat je hebt met de onopmerkelijkheid van je zorgen. Die daarom nog niet afgedaan hoeven worden als ‘luxeproblemen’ – het is verkeerd om het eigen leven te kleineren. Het is ook verkeerd om er niet omheen te kunnen kijken of het als een recht te beschouwen.

Maar hoe een voorrecht is het niet om, lezend in het verrukkelijke Compositieportret van Nicolaas Matsier, even stil te staan bij het opmerkelijke maar onbelangrijke verschijnsel dat je in dromen nooit weet hoe oud je bent. „Je bent een dwarsdoorsnede van al je leeftijden,” schrijft Matsier. Daar denk je dan even over tijdens het koffiezetten. Zo gewoon is alles.

„Het licht gaat aan. Men vult/ de ketel. Precies zoals altijd/ zo denkt men zou men denken als/ dit de laatste keer niet was.”