Thuiskomen is moeilijker dan je denkt

Na drie jaar in India te hebben gewoond, keerde Marte Kaan terug naar Nederland. Dat viel tegen: iedereen bleek veranderd en zijzelf was niet bijzonder meer. Maar is dat erg?

Illustratie Tjarko van der Pol Illustratie Tjarko van der Pol

Na ruim drie jaar in India te hebben gewoond zijn we weer thuis. Ik ben gewaarschuwd door ervaren expats: thuiskomen is moeilijker dan je denkt. Thuis is thuis niet meer, mensen zijn veranderd, jij bent veranderd. Gouden tip: praat niet te lang over je periode buitengaats because nobody really cares. Daar zit misschien de pijn van de terugkeer: je bent niet zo bijzonder meer, zoals in je gastland met je witte huid, je blonde kindertjes en je schattige accent. Maar het is de vraag hoe erg dat is. Een van de lessen van het expatbestaan in India is voor mij juist dat je onder ogen ziet dat je helemaal niet zo belangrijk bent. En dat is een heel bevrijdend besef.

We leren onszelf te waarderen

In de westerse cultuur leren we ons op onszelf te richten: wat vind ik, wat wil ik, hoe voel ik me, ben ik tevreden met mezelf. Uitgangspunt is dat het waarderen van jezelf, eigenliefde, de heilige graal is om sociale uitwassen te bestrijden – van drugsgebruik, geweld en tienerzwangerschappen tot gepest worden. Kinderen moeten er van doordrongen zijn dat ze geweldig zijn en dat ze alles kunnen wat ze maar willen. In de liefde leren we dat je van jezelf moet houden om een gezonde relatie te kunnen hebben.

Allemaal onzin, vindt Matthew Whoolery, professor psychologie aan de Brigham Young University-Idaho in de VS. Whoolery meent dat de preoccupatie met het ‘zelf’ overboord moet.

Waarom? Het eerste argument is de afgelopen decennia vele malen door andere onderzoekers naar voren gebracht: de focus op zelfwaardering lijkt weinig nut te hebben. Geen dempend effect op tienerzwangerschappen, drugsgebruik, gewelddadig gedrag en voortijdig schoolverlaten. En ook geen stimulerend effect op schoolprestaties en sociaal gedrag.

Een andere reden voor zijn oproep om het ‘zelf’ te dimmen, is dat nagenoeg alle producten die we gebruiken, dragen, eten, noem maar op, met de hulp van anderen tot stand zijn gekomen. Je onderbroek die door in een fabriek in China is geproduceerd, de melk in je café latte: alles is door tientallen handen gegaan voor het bij jou belandde. Alleen ben je nergens, wil hij hier mee zeggen.

Nog een argument om de blik naar buiten te richten, in plaats van naar binnen ontleent Whoolery aan het gedachtegoed van Viktor Frankl, een psychiater die het concentratiekamp overleefde tijdens de Tweede Wereldoorlog en de bestseller Man’s Search for Meaning schreef. Frankl zegt dat het gebrek aan betekenis en zingeving de bron is van mentaal lijden, en dat het hervinden hiervan verlossing biedt. Volgens Frankl ligt het doel of de zin in iemands bestaan nooit binnen, maar altijd buiten de persoon: het welzijn van anderen, kunst, natuur, god.

Denk eens aan de mensen om je heen

Hoe anarchistisch de benadering van professor Whoolery in een westerse context kan uitpakken, blijkt uit het volgende voorbeeld. Een lerares van de dochter van Whoolery wilde met hem praten, omdat het meisje alleen maar cadeautjes voor haar familieleden verzamelde tijdens een grabbeltonachtige wedstrijd. Ze wilde niets voor zichzelf, zei de lerares ongerust. „Is dat het?”, riep Whoolery opgelucht. Hij legde het uit aan de juf: „Wij leren haar dat we thuis met z’n zessen zijn. En dat wanneer iedereen voor elkaar zorgt, er dan vijf mensen zijn die zich om je bekommeren. Dat zijn er meer dan wanneer iedereen aan zichzelf denkt.”

Utopisch wellicht, maar de boodschap is de moeite waard: de nadruk op een gevoel van eigenwaarde veronachtzaamt het feit dat we bestaan bij de gratie van anderen en onderdeel uitmaken van iets dat groter is dan wijzelf.

Aan het lot van de rest van de mensheid kun je je gemakkelijker onttrekken in een westerse enclave van (relatieve) welvaart, zoals Nederland. Als expat in een land waar het grote deel van de mensheid er vele malen slechter af is dan jijzelf, word je dagelijks geconfronteerd met het feit hoeveel geluk je hebt gehad. Omdat geluk is gebaseerd op willekeur, tempert dat het gevoel bijzonder te zijn flink. Voor hetzelfde geld lag je aan de rand van de weg zonder benen.

De kunst wordt nu, terug in Nederland, het lek in mijn ego zo groot mogelijk te houden zodat elk oppompen (of lek prikken) zinloos is. Dat kan in Nederland soms lastig zijn omdat de oordelen, standpunten en verwijten je hier om de oren vliegen - ‘Ja dan kun je wel heel boos gaan lopen kijken, mevrouw (en nog wat rotte-visachtigs),’ aldus een jonge man die met 80 kilometer per uur op mijn dochters afreed binnen de bebouwde kom – waardoor je als vanzelf in een verdedigende houding schiet en je ego wakker wordt gemaakt: ‘zo laat ik niet tegen me praten!’

In bovengenoemd geval ademde ik een paar keer diep en onderdrukte de neiging iets snedigs te bedenken wat ik terug had kunnen zeggen toen een van de kinderen vroeg wat die meneer riep. Ik zei dat hij het waarschijnlijk niet leuk vond dat ik zo boos naar hem keek, en dat hij daarom begon te roepen. Ik lachte het weg en we liepen verder. Toen we even later stil stonden zei mijn dochter van zes: „Kom eens hier”, tegen me, en sloeg haar armen om me heen. Met een moederlijk ‘zo’, liet ze me weer los.

Kinderen zijn grootmeesters in altruïstisch gedrag omdat ze nog volledig doordrongen zijn van het feit dat hun leven van anderen afhangt. Hoe het besef van je eigen onbelangrijkheid weer leven in te blazen? Te beginnen met het abrupt beëindigen van dit stuk, dat, zoals elk stuk, toch weer over mezelf gaat.