‘Kabul was mooi. Nu is het een graf van mensen en bomen’

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg doet er dagelijks verslag van.

In Doesjanbe moeten we de auto zien te verkopen. Vanaf hier zullen we verder vliegen naar Kabul, althans dat is het plan. We zouden eerst de auto weggeven aan een goed doel, maar verkopen blijkt makkelijker.

We hebben weinig weggeven onderweg, niet de kaas die we bij ons hadden, niet de schoenen.

Vooruitlopend op de verkoop van de auto laten we hem wassen. De jongen die hem wast, krijgt een paar dure herenschoenen cadeau van ons. Helaas blijken we geen paar in zijn maat te hebben.

„Je kunt de schoenen ruilen,” zegt reisgenoot Qader. „Neem ze maar.”

De jongeman neemt ze aan en Qader zegt tegen mij: „Hij is zo blij dat hij niet weet wat hij moet zeggen.” Mijn indruk was echter dat de jongen ongemakkelijk werd van de schoenen.

Qader is geheel hersteld van ons virus en lijkt begonnen aan een manische periode, ik daarentegen ben nog altijd noodgedwongen anorectisch.

„Zo was Kabul,” zegt Qader, lopend door Doesjanbe, „bomen, mooie huizen, winkels. Maar alle bomen zijn gesneuveld in de oorlog. Er was geen brandstof. Kabul is een graf. Een graf van mensen, een graf van bomen.”

Dat graf is ons reisdoel, wat dat betreft is mijn onvrijwillige anorexia passend.

Qader klampt een verkeersagent aan biedt hem onze auto aan. Tot mijn verbazing is de verkeersagent geïnteresseerd. Hij zegt dat de definitieve koop morgen tot stand moet komen, want hij moet nu werken.

Qaders manie beangstigt me een beetje. „In het ergste geval laten we die auto hier staan en halen we hem later op,” zeg ik.

„Als die auto op jouw naam komt, vind ik dat prima,” antwoordt Qader.

In een winkel waar wasmachines en droogtrommels worden verkocht probeert Qader wederom de auto te slijten. Er is interesse, maar op het laatste moment gaat de koop niet door, hoewel Qader met de autopapieren op een wasmachine slaat en bijna begint te schreeuwen. Je kunt het onderhandelingstactiek noemen, maar ‘eerste sporen van de waanzin’ zou ook een adequate omschrijving zijn.

’s Avonds werkt Qader een biefstuk naar binnen. „Jij zou een brief aan Poetin moeten schrijven,” zegt hij, „en hem om een Russisch paspoort vragen, ik weet zeker dat hij je dat paspoort zo geeft. Jij hebt een Russische ziel.”

We naderen Afghanistan, de vlucht in omgekeerde richting is bijna voltooid. Misschien is het precies dat waar Qader langzaam gek van wordt. Wordt vervolgd