Islam zus, Marokkaan zo – schaamt u

Waarom besteedt de krant zoveel ruimte aan de islam? Belangrijker is aandacht voor het recht om níet te geloven, schrijft Michiel Hegener.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Op 1 augustus bracht de NRC een lang stuk over hervorming van de islam en een over vrijheid in relaties binnen de islam. Een paar dagen eerder was een hele pagina besteed aan een biografie over Mohammed. De komkommertijd kan de reden niet zijn, daarvoor is het aanbod van islamstukken in de NRC te gelijkmatig, jaar in jaar uit. Waarom zijn het er dan zo veel?

Belangstelling voor religie? Nederland telt veel meer christenen dan moslims en over hen gaat het maar zelden. Vijf tot tien procent van de Nederlanders – meer dan het percentage moslims – mediteert. Dan zou je stukken over de hindoeïstisch-boeddhistische hoek verwachten maar de krant heeft het er haast nooit over.

Omdat de islam in de redactionele optiek een interessante kijk heeft op kwesties van leven en dood? Ook niet, want toetsbare aspecten van de metafysica interesseren de NRC weinig. Er zijn talrijke aanwijzingen dat er zoiets als reïncarnatie bestaat. En daarover was in de NRC de afgelopen dertig jaar precies twee keer iets te lezen. Beide stukken stonden op de Achterpagina en beide waren geschreven door mij.

Zouden de mensenrechten de reden kunnen zijn voor die stroom islamstukken? Deels, maar niet alle mensenrechten. Neem vrouwendiscriminatie, een van de hoekstenen van de islam. Het woord moslima alleen al is een vorm van sexuele discriminatie. We hebben het ook niet over christina’s, boeddhista’s en hindoeïsta’s, toch? Of neem kinderrechten. Hoe vaak gaat het niet over ‘moslimjongeren’? Het idee dat kinderen van moslims automatisch moslim voor het leven zijn, is het fundament van de islam. Maar in een land waar mensenrechten centraal staan zou een moslimjongere een adolescent moeten zijn die er in alle vrijheid voor heeft gekozen om lid te worden van de islam. Hij/zij zou er ook op ieder moment in alle openheid weer uit moeten kunnen stappen. Kinderen van moslims hebben die vrijheden niet en zijn vanuit ons mensrechtenperspectief geen moslims. Maar voor de NRC zijn ze dat gewoon – nou ja, moslimjongeren dan.

Wat is het dan toch, die preoccupatie met de islam? Een mogelijkheid – ik weet dat ik me hier op glad ijs begeef – is dat het iets te maken heeft met problemen rond de islam, zoals niet willen integreren en islamitisch geïnspireerd terrorisme. Zouden de auteurs van al die opinie- en andere stukken denken dat je die problemen kunt oplossen door de islam onder een vergrootglas te leggen? Kun je een stoep beter schoonvegen door eerst de oneffenheden te bestuderen? Of is het effectiever om de godsdienst zoveel mogelijk de godsdienst te laten en ons te concentreren op handhaving van onze mensenrechten?

Het bovenstaande had ik in ruwe vorm opgeschreven toen er op 8 augustus een paginagroot opiniestuk in de krant stond over onze Grondwet, in het bijzonder artikel 6 over vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing. Eindelijk, dacht ik. Jammer van mijn stuk, dat was overbodig geworden. Leek het. Tot ik ging lezen.

Waarom ging de tekst van Sebastien Valkenberg vooral over artikel 6? Was er wangedrag van Nederlandse hindoes? Waren er boeddhisten door het lint gegaan? Valkenberg schrijft dat de invloed van artikel 6 is doorgeslagen: „Van iemands godsdienst moet je afblijven of deze dient tenminste met de allergrootste omzichtigheid te worden behandeld, is de interpretatie die zich heeft losgezongen van de werkelijkheid.” Dat is zo: onze rechtsstaat dreigt weg te zakken in een moeras van respect voor de islam.

Minder artikel 6 dus? Ik zou zeggen: minder van de verticale werking, van overheid naar burger. En juist veel meer van de horizontale werking, tussen burgers onderling. Het kernprobleem van alle moeilijkheden die het Westen binnen de eigen grenzen heeft met de islam, is dat de horizontale werking van vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing geen gestalte kreeg in wetten en beleid. Nederland deed dat wel met Grondwetartikel 1: dat burgers elkaar niet mogen discrimineren staat in allerlei speciale wetten en iedereen weet dat.

Moslims, waar ze ook wonen, blijven in de verste verte niet af van elkaars godsdienst en levensbeschouwing. De groepsterreur tegen het individu om mee te doen aan de ramadan, om een hoofddoekje te dragen, om ter moskee te gaan en bovenal om – desnoods slechts in naam – levenslang moslim te blijven, is gigantisch. Het afvalligheidsverbod is een gruwelijke schending van de horizontale werking van artikel 6. Allerlei politici en journalisten weten ervan, zwijgen erover en feliciteren zichzelf met hun respect voor de islam.

Vrijheid van godsdienst krijgt dus niet te veel ruimte maar te weinig. Wij moeten vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing brengen en handhaven tussen mensen die bij hun geboorte tot moslim zijn gebombardeerd. En ja – ik hoor de kritiek al – schending van horizontale godsdienstvrijheid komt ook buiten de islam voor. Ja, soms. Een beetje. Maar in vergelijking is het peanuts.

Alle islamproblemen tot en met terrorisme kunnen we oplossen met een horizontale aanpak van vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing, met als model hoe we dat deden met artikel 1: wetgeving, proefprocessen, jurisprudentie, overheidsbeleid, handhaving, meldpunten en allereerst intensieve lesprogramma’s op alle scholen. Dat kan vrijwel zonder woorden als moslim of islam te bezigen – wat in de media weer ruimte biedt voor boeiender onderwerpen.