Het korte, nare leven van Anton Scheepmaker

Dit is het dan: het winnende verhaal van De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Gistermiddag werd Erik Winter op het Lowlands-festival uitgeroepen tot winnaar, vandaag lees je hier zijn verhaal.

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Het was begonnen op een avond, ongeveer een week nadat hij zijn tiende verjaardag had gevierd. Samen met zijn vader en zijn moeder zat Anton Scheepmaker aan de kleine, houten keukentafel te eten, zoals ze dat vrijwel elke dag deden. Ze aten boerenkool. Anton was dol op boerenkool en had het deze avond daarom prima naar zijn zin. Om kwart over zes had hij zijn bord al bijna leeg. Zijn ouders deden er langer over, maar aten net als Anton stil en geconcentreerd. Rustig kauwend zat de familie zo in de kleine keuken bij elkaar, bij het schijnsel van een brandende kaars.

Achter de rug van Antons moeder was de deur naar de woonkamer. Die was dicht. Maar juist toen Anton een wel zeer smakelijk hapje boerenkool op zijn tong rond liet gaan, en hij nog even extra genoot van die heerlijke, intense smaak, ging plotseling zachtjes de klink naar beneden. De deur opende een klein stukje en aan de andere kant stond een man, die even door de smalle spleet naar binnen keek en die daarna voorzichtig, om niet tegen de stoel van Antons moeder aan te stoten, de deur verder opendraaide. Precies zo ver dat zodat hij er zelf net door paste. Met een sierlijke beweging, als maakte hij een danspas, stapte hij daarna zijwaarts de keuken in.

De man was niet oud en niet jong, had een doorsnee kapsel en een saai gezicht. Het was een zeer onopvallende verschijning. Op straat zou niemand zijn hoofd omdraaien als hij zou passeren, behalve... Behalve als hij net zo gekleed zou gaan als nu. Hij had alleen een groot, wit laken losjes om zijn lichaam gedrapeerd en was daaronder helemaal naakt.

Anton schrok merkwaardig genoeg helemaal niet van deze man, die hem even vriendelijk toeknikte, en die daarna, voorzichtig tegen het aanrecht leunend, rustig in een hoek van de keuken ging staan. Ook zijn ouders namen geen aanstoot aan deze vreemde verschijning. Ze wierpen een korte, nieuwsgierige blik op hem, maar aten daarna gewoon verder. Die bewuste, eerste avond stond de man daar alleen maar.

Daar bleef het echter niet bij. Vanaf dat eerste moment was de man altijd bij Anton in de buurt. Waar hij ook ging, de man volgde hem, steeds gehuld in een smetteloos wit laken. Soms bleef hij op afstand, dan weer kwam hij hinderlijk dichtbij, bijvoorbeeld als Anton in een lift stond. En de man had commentaar. Wat Anton ook deed, of wat hij ook zei, altijd gaf de man – Anton noemde hem na verloop van tijd De Romein, vanwege dat laken – zijn mening. En de man was een zanger. Hij gaf zijn commentaar zingend. Dag en nacht. Soms lag Anton in zijn bed slapen en schrok hij in het donker wakker, badend in het zweet. Dan had hij gedroomd dat zijn hele leven een musical was en dat er overal, op elk moment, iemand in een hartstochtelijk lied zou kunnen uitbarsten. Maar als hij dan zijn ogen opendeed en zijn klamme voorhoofd afveegde, dan stond daar altijd weer De Romein, die hem sussend terug in slaap zong, melodieus fluisterend dat Anton het zich allemaal niet zo aan moest trekken.

Anton vond dat moeilijk, maar gaandeweg ontdekte hij dat er ook voordelen zaten aan deze toestand. Soms kon hij bijvoorbeeld aan de manier waarop de Romein zong horen dat er onheil naderde. Dan hoorde hij de spanning opbouwen in het lied en wist hij dat hij op moet passen. Zeker twee verkeersongelukken heeft Anton op deze manier weten te vermijden. Ook waren de vriendjes met wie hij buiten speelde minder snel geneigd hem te pesten. Er was immers altijd een getuige aanwezig en zodra iemand Anton ook maar een haar krenkte, schalde de stem van de zanger luidkeels over straat en wist iedereen in de buurt ogenblikkelijk wie de daders waren en welk onrecht ze hadden begaan. Nee, in het eerste jaar was het allemaal nog best te doen. De voor- en nadelen hielden elkaar in evenwicht.

Het was in de jaren erna, dat het misging. Het bleef namelijk niet bij deze ene zingende Romein. Er kwam steeds meer gezelschap. Telkens in de week na Antons verjaardag verscheen er een nieuwe zanger. Op zijn elfde waren het er twee, op zijn twaalfde waren het er drie en op eenentwintigjarige leeftijd waren het er tien. Allemaal waren ze even luchtig gekleed en allemaal bezongen ze het leven van Anton, in real time, en nu ook meerstemmig.

Ook dat had voordelen. Zo versierde Anton zijn eerste en enige meisje bij een romantisch etentje met kaarslicht, terwijl zijn volgelingen hen op de achtergrond met zachte close harmony-zang begeleidden. Zij vond hem excentriek en viel voor deze aparte benadering, maar later werd het alsmaar voortdurende commentaar haar toch te veel. Anton was een freak, meende ze toen en dat was alles behalve aantrekkelijk. In de eerste nacht dat ze samen sliepen besloot ze dat exhibitionisme ‘niet haar ding’ was en de volgende ochtend werd Anton alleen wakker in zijn bed. Ze was met de noorderzon vertrokken.

Anton was hiervan kapot en in alle staten. Hoe vaak mensen ook zeggen dat juist muziek troost kan bieden bij een verbroken relatie, deze keer werkte het niet. De Romeinen wisselden emotionele nummers af met opwekkende, lieten ruimte om te zwelgen met eindeloze herhalingen waar het paste, maar aan Anton was het niet besteed. Woedend pakte hij het ontbijtservies uit de keukenkastjes en smeet de borden en de kopjes een voor een naar de Romeinen hun hoofd. Maar ze gingen niet weg. Integendeel, ze zongen juist harder en indringender en gooiden met hun crescendo’s olie op het vuur. Anton gooide met stoelen, trok kasten van de muur. Hij schreeuwde de longen uit zijn lijf, zo hard als hij kon, maar de Romeinen waren met te veel en ze lieten zich niet overstemmen.

Uitgeput gaf Anton zich gewonnen. Van het ene op het andere moment negeerde hij zijn zangers. Gravend in de puinhoop van een omgevallen kast vond hij de sleutels van zijn auto. Hij greep ze zonder aarzelen, liep naar buiten en nam plaats achter het stuur. Hij startte de auto en liet de motor luid brullen. Even zat hij stil en zuchtte. Daarna reed Anton zichzelf te pletter tegen een harde, zeer rode, bakstenen muur.

De groep zangers reageerde verslagen, emotioneel. De eerste dagen na Antons overlijden liepen ze radeloos rond. Buiten wat zacht gehuil en enkele korte jammerkreten kwam er een tijdlang geen geluid meer over hun lippen. Bij de begrafenis van Anton waren ze allemaal aanwezig. Hand in hand stonden ze op een klein podium en gaven ze voor het rouwende publiek hun beste concert tot dan toe. De eerste Romein die was verschenen hield een aangrijpende toespraak over Antons leven. Ze spraken af dat ze voortaan elk jaar bij elkaar zouden komen om samen te zingen.

Het eerste jaar deden ze dat ook. Ze organiseerden zelfs een optocht door het dorp waar Anton was opgegroeid. Maar daarna werd de groep elk jaar kleiner. In het vijfde jaar na Anton overlijden was er alleen nog maar een slecht bezochte borrel in het kleine zaaltje van de plaatselijke bibliotheek. In het achtste jaar kwam er helemaal niemand meer. Het was welletjes geweest, vond men. Er was sprake geweest van een prettig gezelschap, goede vriendschap zelfs, maar als men niets meer gemeenschappelijk heeft, verwatert onherroepelijk het contact.

Dit is een licht afwijkende versie van het verhaal dat in de krant stond. Op verzoek van de auteur is de naam van de hoofdpersoon aangepast, wegens een onbedoelde overeenkomst van de naam met een bestaande persoon.