Chaos in het speenkruidveld

Uitgaand van DNA of traditie ziet de ene bioloog acht speenkruidsoorten, de ander zeven ondersoorten.

Speenkruidveld in Groningen. Foto ANP

Als één emotie bij speenkruid hoort, is het opluchting. Het is nog koud, de bomen in het park of het bos zijn kaal. Maar daaronder, op de grond, prijken de eerste glanzend gele bloemetjes op donkergroen loof. Het speenkruid bloeit. Eindelijk, de winter is voorbij.

Maar in twee publicaties die laatst verschenen in Gorteria, het wetenschappelijk tijdschrift van het Nationaal Herbarium Nederland, is van opluchting niets te merken. Integendeel. Botanicus Jan-Frits Veldkamp (74), de auteur van één van de twee artikelen, schrijft over „speenkruidchaos”.

Beide artikelen gaan over een simpele vraag: wat is dat overbekende, vrolijk stemmende plantje?

De tweede publicatie is van plantengeneticus Ben Zonneveld (ook 74). Ze zijn collega’s. Beiden werken, hun pensionering negerend, gewoon door op het Herbarium in Leiden (onderdeel van instituut Naturalis).

Zonneveld vindt dat er in Europa acht soorten bestaan. Zijn collega houdt vol dat het één soort is met zeven vormen, zogeheten ‘ondersoorten’. Veldkamp vertelt: „Hij hield voet bij stuk, en ik ook, dus toen hebben we toch maar niet samen één artikel geschreven.” Zonneveld, later diezelfde dag: „In goede harmonie hoor.”

Van die zeven of acht speenkruiden, groeien er twee in Nederland en West-Europa, daar zijn de twee botanici het over eens. De ene is het ‘gewoon speenkruid’. De andere, een in Nederland zeldzaam type dat pas in 1976 op Texel werd ontdekt, het ‘vreemd speenkruid’.

Die speenkruiden zijn verschillend, voor wie oplet. Gewoon speenkruid heeft smalle bloembladeren, vormt een platgroeiend plantje en plant zich ongeslachtelijk voort via wortelstokken of ‘spenen’ (vandaar de naam) en okselknolletjes. Het heeft elk chromosoom in viervoud. Het vreemd speenkruid heeft juist brede bloembladeren, vormt een staand plantje, en maakt geen okselknolletjes. Het heeft elk chromosoom in tweevoud.

Zo zijn er nog vijf vormen in Zuid- en Oost-Europa (of zes, want Zonneveld erkent een extra vorm uit de Kaukasus). Allemaal zijn ze, zo vatte de Britse botanicus Peter Sell in 1994 samen, „gemakkelijk herkenbaar” – mits je bloemen én vruchtjes onderzoekt.

Toch behoren ze, volgens de traditionele indeling die Sell en Jan-Frits Veldkamp volgen, tot dezelfde soort.

Hoe kan dat?

Proefparingen

De speenkruidchaos is exemplarisch, vertelt Veldkamp. „Wat je een soort noemt, is bij planten volkomen arbitrair. Bij dieren is het eenvoudiger. Als ze samen kunnen paren én vruchtbare nakomelingen krijgen, behoren ze tot dezelfde soort.” (Zelfs die simpele definitie levert trouwens best problemen op, want wie gaat al die proefparingen organiseren?)

Maar, zegt Veldkamp: „Bij planten is er zelfs geen definitie van een ‘soort’.” Kwekers kunnen soorten soms gemakkelijk kruisen. En in de natuur krijgen planten vaak een ander uiterlijk terwijl ze genetisch nauwelijks veranderd zijn. „Vooral bij planten die zich ongeslachtelijk voortplanten, is het lastig”, zegt Zonneveld. „Eén plant ontwikkelt een mutatie, en die vormt honderden stekjes. Zijn die stekjes dan een nieuwe soort?”

Daardoor zijn er alleen al in Nederland legio ‘lastige’ plantengroepen, die niemand bevredigend kan indelen. De paardebloemen, de havikskruiden, de bramen. Vorig jaar schreven andere plantkundigen in Gorteria dat in Nederland maar liefst 191 soorten bramen groeien.

DNA-pakketten

En nu dus de speenkruiden.

Dat de Europese speenkruiden, ondanks hun verschillen, tot één soort behoren, is traditie. Veldkamp: „En ik zag geen reden om daarvan af te wijken.” Zijn artikel gaat dan ook niet over de indeling, maar over de naamgeving van speenkruiden (zie kader).

Geneticus Zonneveld probeerde wél de indeling op te helderen. Hij bepaalde de hoeveelheid DNA in elke celkern, met fluorescente merkers. Die blijkt sterk te verschillen tussen de acht (of zeven) speenkruiden, overeenkomstig met DNA-pakketten variërend van 12 miljard tot 36 miljard basen. Zonneveld: „Zulke grote verschillen ontstaan niet in één nacht.” Vandaar vindt hij de speenkruiden wél verschillende soorten.

Maar hoe die diverse planten groeien en bloeien, daarover zijn de heren het toch wél eens? „Volgens mij wel”, zegt Zonneveld. Veldkamp heeft nog wel een verzoek – hij noemde het al in zijn publicatie. „Speenkruid is een beetje een verwaarloosd plantje. Ik ben wel benieuwd of het gewoon speenkruid zich écht niet kan voortplanten via vruchtjes. Daar heeft niemand onderzoek naar gedaan.

„Dus als mensen ze in het voorjaar zien bloeien, kunnen ze dan later nog eens kijken of er vruchtjes aan komen? Dat lijkt me voor de florist wel een leuke opdracht.”