Wie durft de moskee aan te pakken?

Illegale winkels, subsidiemisbruik – moskeeën kunnen hun goddelijke gang gaan. Gemeentes kiezen liever de laffe lijn dan op te treden, zegt Robbert van Lanschot.

Illustratie Tjarko van der Pol Illustratie Tjarko van der Pol

Wie in Nederland een moskee wil bouwen, stuit vaak op problemen. Maar als het pand er eenmaal staat, breekt voor het moskeebestuur de zon door. Geen lastige vragen meer. Het geruzie is achter de rug. Wetten en regels kunnen nu verder aan de laars worden gelapt. Met name in de grote steden is het gewicht van het moslimelectoraat zo groot dat de overheid en de politiek gevoelige kwesties die zich binnen de moskeemuren afspelen uit de weg gaan. De lijn is: don’t ask - don’t tell. Zo zullen ambtenaren of lokale politici geen vervelende vragen stellen over een illegale supermarkt binnen de moskee, zolang er bij de moskeepoort geen reclamebord staat met ‘witlof 1,20 euro!’.

Deze lijn komt niet alleen voort uit vrees voor stemmenverlies. De gemeentebesturen zijn ook bang voor wat het met een diepgelovige buurt ‘doet’ als het lokale moskeebestuur, toch een beetje een heilige institutie, voor de strafrechter zou moeten verschijnen.

In maart 2014 schreef ik voor weekblad De Groene Amsterdammer een verhaal over moskeeverzamelgebouw ‘de Verbinding’ in Amsterdam-Oost. De redactie gaf het als kop ‘Jokken in de Joubertstraat’. Het gebouw, dat tot mei dit jaar eigendom van de stad was, omvat links een Turkse en rechts een Marokkaanse moskee. Van het Stadsdeel had ik desgevraagd jaarstukken over 2009 tot en met 2012 van de beide moskeeën gekregen. En, oef, de cijfers bleken een opeenstapeling van malversaties. Voor de stad was vooral schadelijk dat een groot deel van de royale, uit de gemeentekas verstrekte subsidies voor sociaal-economische doelen (naailessen, praatgroepen, onderricht in Nederlandse waarden en normen, et cetera) oneigenlijk waren gebruikt. Voor moskeeonderhoud bijvoorbeeld, voor bonussen aan moskeebestuurders, voor een schimmig fonds en voor de huur van de gebedsruimten. Jarenlang dacht het gemeentebestuur dat de Turkse en Marokkaanse geloofsgemeenschappen zelf braaf de huur hadden opgebracht. Maar dat was dus niet zo. Door de Marokkaanse moskee was aan de inkomstenkant over die vier rapportagejaren een schamel bedrag van in totaal 35 euro aan ‘ontvangen donaties’ opgegeven, terwijl het in realiteit vrijwel zeker om meer dan honderdduizend euro ging. (Giften aan de moskee vallen onder de ‘zakat’, het geven van aalmoezen. In het topsegment, zoals bij de Rotterdamse Essalam-moskee, worden de gelovigen geacht maandelijkse minimaal 150 euro in te brengen.) Geld was er dus in overvloed en in dat opzicht was er geen reden om met die subsidiegelden te rommelen.

De Turkse moskee verzorgde met gemeentegeld een ‘Cursus Nederlandse waarden en normen voor Turkse jongeren’. Dat bleek gewoon koranles te zijn. In die moskee zit trouwens, vreemd maar waar, een kapperszaak. Dat is in strijd met het bestemmingsplan. Een hoge stadsdeelambtenaar vertelde dat zij de moskee herhaaldelijk had gewaarschuwd. Maar die zaak zit er nog steeds. Het moskeebestuur steekt richting de gemeente gewoon de middelvinger op. In de jaarstukken werd met geen woord gerept over de door de kappers opgebrachte onderhuur.

De stad gedraagt zich als een schlemiel

Je zou denken dat een verhaal in De Groene over dit soort frauduleuze praktijken iets in beweging zet. Niet dus. Een maand of tien geleden kwam de verkoop van het gebouw aan de gebruikers – de twee moskeeën dus – in beeld. In januari schreef ik in NRC Handelsblad dat de stad zich als een schlemiel zou gedragen als die de transactie zou doorzetten terwijl er een wolk van malversaties rond de twee moskeebesturen hing. Malversaties waarvan nota bene de stad zelf het belangrijkste slachtoffer was. Maar opnieuw bleef het muisstil. Uiteindelijk kwamen alleen SP en VVD met schriftelijke vragen en het verzoek om een onafhankelijk onderzoek. Hoewel die vragen binnen een maand beantwoord moeten worden, heeft de gemeente nog niets van zich laten horen. Via via weet ik dat de instructie van de gemeentelijke top aan het ambtenarenapparaat luidt: in ’s hemelsnaam, bedenk een reactie die geen ruimte meer laat voor vervolgvragen. Maar het dossier is te ingewikkeld; ieder antwoord roept weer een cascade nieuwe issues op. Neem de kwestie van de eindverantwoordelijkheid: de Turkse moskee valt rechtstreeks onder het Directoraat Godsdienstzaken van het Turkse ministerie van Algemene Zaken. Strafrechtelijk lopen er dus ook verdachten in Ankara rond. Dit raakt onze betrekkingen met Turkije.

De penningmeester aan de Marokkaanse kant van het gebouw is na mijn verhaal in De Groene met de noorderzon vertrokken – met in zijn bagage alle bewijsstukken. Dat is voor het gemeentebestuur natuurlijk wel een enorme meevaller. „Sorry, we waren net te laat”, kan het opgelucht claimen. Het in 2009 met veel bombarie geopende pand is inmiddels toch stilletjes door de stad aan de twee zwendelende moskeeën verkocht. En dat nog wel – kent het masochisme van de stad geen grenzen? – voor een prix d’amis, ver beneden de getaxeerde waarde.

Een ingewijde in het gemeentelijke circuit vertelde me dat hij in onze hoofdstad tientallen subsidieprogramma’s voor sociaal-culturele moskeeactiviteiten kende en dat overal de boekhouding rammelt. In één geval had een moskeebestuurder hem zelfs voorgesteld een in de wacht gesleepte subsidie ‘samsam’ te delen. Je kunt redeneren: dat is Amsterdam. Maar het gebeurt overal in Nederland. Zelfs in Rheden waar, hoewel een verzoek tweemaal was afgewezen, toch een winkel in een moskee kwam.

Bestuurlijk Nederland schroomt op te treden. Niet vanuit een vrijzinnige visie, maar uit angst. De moskeeën dreigen een extraterritoriale archipel te worden. Veel wetten en spelregels van onze samenleving zijn er de facto niet van toepassing. Door dit te laten gebeuren, bewandelen de overheid en al die schichtig wegkijkende politici een pad dat niet tot meer maar juist tot minder integratie leidt.