Terug in de doos

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week het eerste hoofdstuk uit De nieuwe achternaam, de jongste roman van de mysterieuze Italiaanse schrijfster Elena Ferrante.

In de lente van 1966 vertrouwde een erg opgewonden Lila mij een metalen doos toe waarin acht schriften zaten. Ze zei dat ze ze niet langer in huis kon bewaren. Ze was bang dat haar man ze zou lezen. Afgezien van een paar ironische opmerkingen over al het touw dat ze eromheen had gebonden, nam ik de doos zonder verder commentaar mee. Onze relatie was in die periode allerbelabberdst, maar dat leek alleen ik te vinden. De zeldzame keren dat we elkaar zagen, wees niets erop dat zij zich ongemakkelijk voelde en hatelijke opmerkingen maakte ze ook nooit.

Toen ze me vroeg te zweren dat ik de doos nooit, om geen enkele reden, zou openmaken, deed ik dat. Maar ik zat nog niet in de trein of ik maakte het touw los, haalde de schriften tevoorschijn en begon te lezen. Het was geen dagboek, ook al kwamen er gedetailleerde verslagen in voor van gebeurtenissen uit haar leven vanaf het einde van de lagere school. Het leek meer een halsstarrige oefening in schrijven. Ze schreef over van alles: een boomtak, de meertjes, een steen, een blad met witte nerven, de pannen thuis, de verschillende onderdelen van een koffiepotje, de vuurpot, steenkool, houtskool, een minutieuze plattegrond van de binnenplaats, de grote weg, het geroeste, ijzeren skelet aan de andere kant van de meertjes, het parkje en de kerk, het rooien van de begroeiing langs de spoorrails, de nieuwe flats, het huis van haar ouders, het gereedschap dat haar vader en haar broer gebruikten om schoenen te repareren, hun bewegingen als ze aan het werk waren, en vooral kleuren, de kleuren van alles wat je maar bedenken kunt op verschillende momenten van de dag. Maar er waren niet alleen beschrijvende bladzijden. Er kwamen ook losse woorden in voor, in het dialect en in het algemeen beschaafd Italiaans, soms omcirkeld, zonder verder commentaar. En vertaaloefeningen uit het Latijn en het Grieks. En hele stukken in het Engels over de winkels in de wijk, over wat er verkocht werd, over de kar vol groenten en fruit die Enzo Scanno elke dag, met zijn hand aan de halster van zijn ezel, van straat naar straat reed. En talloze uiteenzettingen over de boeken die ze las en de films die ze in de parochiezaal zag. En veel van de ideeën die ze had verdedigd in haar discussies met Pasquale en tijdens het gebabbel met mij. Natuurlijk, het geheel had iets grilligs, maar wat Lila ook in taal vatte, het kreeg reliëf, en zelfs op de bladzijden die ze als elf-, twaalfjarige had geschreven, trof ik niet één regel aan die kinderlijk klonk.

Doorgaans waren de zinnen uiterst precies geformuleerd, met veel zorg voor de interpunctie, en was het handschrift elegant, zoals juffrouw Oliviero het ons had geleerd. Maar soms leek Lila geen zelfdiscipline meer te kunnen opbrengen, alsof ze gedrogeerd was. Dan werd alles gejaagd, kregen haar zinnen een opgewonden ritme en verdween de interpunctie. Over het algemeen keerde haar ontspannen en heldere stijl alweer snel terug. Maar het kon ook gebeuren dat ze zichzelf bruusk onderbrak en de rest van de bladzijde vulde met tekeningetjes van kronkelige bomen, onregelmatige, rokende bergen, grimmige gezichten. Die combinatie van ordelijkheid en onordelijkheid fascineerde me en hoe meer ik las, hoe meer bedrogen ik me voelde. Wat een oefening lag er achter de brief die ze me jaren eerder op Ischia had gestuurd – daarom was die zo goed geschreven. Ik deed alle schriften terug in de doos en nam me voor er verder niet meer in te neuzen.

Maar ik zwichtte algauw, er ging van die schriften eenzelfde aantrekkingskracht uit als er van Lila zelf vanaf haar jongste jaren was uitgegaan. Ze had de wijk, haar familie, de Solara’s, Stefano, iedereen en alles met onbarmhartige precisie beschreven. En wat te zeggen van de vrijheid die ze had genomen ten aanzien van mij, van wat ik zei en dacht, van de mensen van wie ik hield, zelfs van mijn uiterlijk. Ze had momenten die voor haar beslissend waren geweest vastgelegd zonder zich om wie of wat dan ook te bekommeren. Kijk, daar stond haarscherp het plezier beschreven dat ze had beleefd toen ze, tien jaar oud, dat verhaaltje schreef, De blauwe fee. En kijk, even scherp, het verdriet omdat onze juffrouw Oliviero zich niet had verwaardigd ook maar één woord over dat verhaal te zeggen, sterker nog, het had genegeerd. En de irritatie, de woede omdat ik zonder me iets van haar aan te trekken naar de middenschool was gegaan en haar in de steek had gelaten. En het enthousiasme waarmee ze schoenen had leren repareren, en het gevoel van revanche dat haar ertoe had gebracht nieuwe schoenen te ontwerpen, en het plezier om daar samen met haar broer Rino een eerste paar van te verwezenlijken. En de pijn toen Fernando, haar vader, had gezegd dat de schoenen niet deugden. Er lag van alles in die bladzijden, maar vooral haar haat jegens de broers Solara, en de meedogenloze vastberadenheid waarmee ze de liefde van de oudste, Marcello, had afgewezen. En het moment waarop ze daarentegen had besloten zich te verloven met de zachtaardige Stefano Carracci, de kruidenier, die uit liefde het eerste door haar gemaakte paar schoenen had willen kopen, waarbij hij had gezworen dat hij ze altijd zorgvuldig zou bewaren. En o, dat mooie moment waarop ze zich, vijftien jaar oud, een rijk en elegant dametje had gevoeld aan de arm van haar verloofde, die alleen maar omdat hij van haar hield een hoop geld had geïnvesteerd in de schoenfabriek van haar vader en haar broer, schoenfabriek Cerullo. En wat een voldoening had het haar gegeven: de schoenen die zij had bedacht bijna allemaal uitgevoerd, een huis in de nieuwe wijk, haar huwelijk toen ze zestien was. En wat een prachtig trouwfeest was daarop gevolgd, en wat had ze zich gelukkig gevoeld. Maar toen was Marcello Solara verschenen – samen met zijn broer, terwijl het feest in volle gang was – met aan zijn voeten uitgerekend de schoenen waarvan haar man had gezegd dat hij er zo op gesteld was. Haar man. Wat voor man had ze getrouwd? Zou hij, nu hun huwelijk een voldongen feit was, zijn onechte gezicht afrukken en haar het afschuwelijk echte tonen? Vragen, en de onopgesmukte feiten van onze armoede. Ik was veel met die bladzijden bezig, dagen, wekenlang. Ik bestudeerde ze, leerde er ten slotte stukken van uit het hoofd, stukken die me bevielen, me in vervoering brachten, me biologeerden en me krenkten. Achter de natuurlijkheid ervan ging vast en zeker een truc schuil, maar ik kon niet ontdekken welke.

Ten slotte liep ik op een novemberavond geërgerd met de doos naar buiten. Ik verdroeg het niet meer Lila almaar bij me te hebben, ín me te voelen, zelfs niet nu ik erg gewaardeerd werd, zelfs niet nu ik een leven buiten Napels had. Op de Solferinobrug bleef ik naar de lichtjes staan kijken, die gefilterd werden door een ijskoude nevel. Ik zette de doos op de brugleuning, duwde hem beetje bij beetje van me af, totdat hij in de rivier viel. Bijna alsof zij, Lila zelf, daar in levenden lijve naar beneden stortte met haar gedachten, haar woorden, met het venijn waarmee ze iedereen altijd lik op stuk gaf, wie het ook was. Met die manier van haar waarop ze bezit van me nam, zoals ze dat met iedereen deed en met alle dingen en gebeurtenissen en kennis waarmee ze, al was het maar even, in aanraking kwam: boeken en schoenen, zachtheid en geweld, het huwelijk en de eerste huwelijksnacht en haar terugkeer naar de wijk in de nieuwe rol van mevrouw Raffaella Carracci.