Meer vrouwen in een vakgebied: minder prestige

De mannelijke hoogleraren kwamen bij elkaar op de thee. Ze wilden Marietje van Winter (1927) daar niet bij hebben. ‘Maar of dat nu was omdat ik een vrouw ben...’

Marietje van Winter (87) vindt het jammer dat dit stuk over seksisme in de wetenschap gaat. Liever had ze het louter gehad over haar artikelen, waar nu ze veel meer tijd voor heeft dan vroeger. Maar inderdaad: „Er werd altijd op vrouwen neergekeken. Mannen hadden een intrinsieke meerwaarde, was de opvatting. Maar ja, dat zijn van die niet-beredeneerbare zaken. En als je vraagt: heb je er last van gehad dat je een vrouw bent – ik weet het eigenlijk niet.”

Vooral Van Winters moeder moedigde haar en haar twee jongere zusjes aan om te studeren, hun eigen brood te verdienen. En haar vader (net als Van Winter hoogleraar geschiedenis) constateerde droog: „Mijn dochters trouwen niet, mijn dochters promoveren”. Twee van de drie zusjes promoveerden inderdaad, geen van drieën trouwde. „Ik dacht”, zegt Van Winter, „als ik nou tegen een man aanloop met wie ik per se getrouwd wil leven, dan doe ik dat wel. Maar tot ongeveer 1960 werd de huwende ambtenares nog ontslagen, dus dan moest je wel vréselijk graag willen trouwen. En dan was mijn proefschrift er niet gekomen.”

Van Winter promoveerde op haar 34ste (in 1962) in Utrecht, op de maatschappelijke groepen ministerialiteit en ridderschap. Ze ontdekte dat de ‘ministerialen’, in de Middeleeuwen een bevoorrechte bevolkingsgroep onder de onvrije bevolking, in Gelre en Zutphen konden opklimmen tot de ridderschap. „Dat was absoluut nieuw, dat had voor die tijd niemand gezien.” Haar kloeke tweedelige proefschrift, Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen, is nog steeds een standaardwerk, zegt ze.

Na haar promotie kreeg ze een beurs om onderzoek te doen naar de Johannieter ridderorde (de ‘Maltezers’), onder meer op Malta. Maar een ander onderwerp kreeg sterker haar belangstelling: Middeleeuws voedsel. „De laatste tien, vijftien jaar begint voedingsgeschiedenis op te komen als vakgebied, al is er nog steeds geen leerstoel in Nederland. Maar destijds werd er echt op neergekeken. Ik mocht het doen als hobby – we waren nog niet zo in projecten gebonden als tegenwoordig.”

Dus ging ze samen met studenten uit historische kookboeken koken, bij haar thuis in Utrecht (ze houdt trouwens nog steeds geschiedenisavondjes bij haar thuis, maar nu zonder koken). Van Winter beschreef die recepten en etentjes vanaf 1966 in het toen nieuwe historische publiekstijdschrift Spiegel Historiael (sinds 2006 Geschiedenis Magazine), in de rubriek Van soeter cokene. „De tekst van een Middeleeuws recept, met vertaling, uitleg en hoe we het bereidden. De studenten vonden het heel leuk, maar ze kregen er geen studiepunten voor. Ik was toen wetenschappelijk medewerker en de hoogleraren vonden het lachwekkend. Tijd verknoeien. Maar of dat nou was omdat ik een vrouw ben... Dat weet ik dan nooit. Die hoogleraren waren allemaal mannen, ja.”

Koken en eten waren wel echt vrouwenonderwerpen. In de Middeleeuwen niet, zegt Van Winter. „Toen stonden alleen mannen in de keuken; kok was een hooggeëerd beroep. In de loop van de 16de eeuw rukte de vrouw op in de keuken en vanaf de 17de eeuw neemt de vrouw de keuken over van de man. Daarmee daalde ook de status van het keukenwerk.” Want hoe groter het aandeel vrouwen in een beroepsgroep, hoe lager de status van dat beroep, zegt Van Winter. „Dat is wat ik telkens constateer. Volgens mij is dat ook in de wetenschap een onontkoombare tendens. Zodra vrouwen de helft van het aantal onderzoekers in een vakgebied vormen, is het prestige van dat vakgebied gehalveerd.” Weinig aan te doen, denkt ze; vrouwen zullen de wetenschap nooit overnemen. „Op een gegeven moment stagneert het. Voor een deel ligt dat aan vrouwen die geen zin hebben om een gezin te combineren met zo’n slopende baan. Er is natuurlijk ook een eind aan je energie.”

Van Winter weet eigenlijk niet of ze serieuzer werd genomen toen ze in 1972 lector werd en in 1980 (op haar 52ste) hoogleraar in Utrecht, zegt ze desgevraagd. „Ik denk dat mijn mannelijke collega’s het idee hadden dat ze me moesten dulden. Het voorzitterschap van de vakgroep rouleerde bijvoorbeeld, maar het duurde heel lang tot ze mij voorzitter maakten, alsof ik dat niet aan zou kunnen. En alle andere hoogleraren van de vakgroep kwamen onderling bij elkaar op de thee, maar daar wilden ze mij niet bij hebben. Of dat nu was omdat ik een vrouw ben of omdat ik een irritante persoonlijkheid had, daar kom je nooit achter.” Had ze dan een irritante persoonlijkheid? „Ik had eigenzinnige onderwerpen, dat irriteerde die mannen. Maar ik dacht: laat ze maar, ik ga mijn eigen gang. Je kunt je niet alles aantrekken.”

Diezelfde mannelijke collega’s vonden het ook al idioot toen ze begin jaren 80 het eerste staflid was met een draagbare computer (een Kaypro). „De pen op papier was het enige ware, vonden ze. Dat toetsenbordgedoe kon toch geen echte wetenschap zijn. Nou is het ook zo dat die mannen niet typten: hun echtgenotes typten hun manuscripten. Ik was mijn eigen echtgenote. Zo kon ik makkelijk met de computer vertrouwd raken.”

En mag het nu weer over haar werk gaan? Van Winter wil als ze 90 wordt een bundel uitbrengen van artikelen die ze tussen haar 80ste en 90ste heeft gepubliceerd, nu al 24. Over voeding en over Utrechtse topografie, adel en ridderschap. Ze vertaalt ze in het Nederlands, want, zegt ze: „Het ergert me zéér dat alles tegenwoordig in het Engels moet. Het is altijd halfbakken Engels en het is een verwoesting van de moedertaal als wetenschapstaal. Die heeft altijd nieuwe groepen in de samenleving kansen gegeven. Dat wordt nu teruggedraaid.”