Column

Keetjes kijken

Ammar is al een maand of vijf mijn Syrische vriend. Hij is een vluchteling en illegaal in Nederland. Kwam hier ooit via Lampedusa. Ik stel hem in de kroeg altijd voor als Geert. Niemand hoort dat hij asielzoeker is. Hij spreekt vloeiend Nederlands. In elk geval verstaanbaarder dan Geert met zijn Venlose accent.

Ammar en ik staan samen aan het IJ en kijken naar de duizenden bootjes die over het water krioelen. De stemming is gemoedelijk. Veel vijftigers in het verplichte Gaastra-uniform zitten met hun kort geknipte rugzakvrouwtjes te genieten van hun suffe glaasjes Radler. Deze nichterige priklimonade is de redder van de ooit zo stoere brouwerijen. Arme Freddie Heineken. Hij draait zich om in zijn urn.

Wat kan Nederland toch lief zijn, denk ik als ik mijn generatie zo vredig zie dobberen. Dat vindt Ammar ook. Hij vraagt zich af waarom ze met zo weinig mensen in een bootje zitten. Dat kan toch veel efficiënter?

Twee miljoen mensen dobberen deze dagen op het IJ. Ammar vraagt waarom we steeds het water op gaan als we iets te vieren hebben. Hij heeft de Gay Pride nog op zijn netvlies. Toen vertelde een Brabantse vrouw ons in plat Helmonds dat ze met drie vriendinnen keetjes kwam kijken. Ik was toen een kwartier bezig om Ammar uit te leggen dat keetjes in dit geval gaytjes waren. Tijdens die uitleg werden we drie keer overreden door een groepje dronken bierfietsers en begreep ik in een keer waarom half Amsterdam deze types een gratis rondje touwloos bungeejumpen wil aanbieden.

Het is donderdagmiddag en er dolen een kleine 400.000 zielen op en rond het water. Ammar vraagt of die niet moeten werken. Ik leg uit dat de meesten babyboomers zijn en de rest van hun leven lekker uit mogen vutten. Sommigen doen dat al vanaf hun vijftigste. Die zwerven over golfbanen, drijven in overnaads geklonken borrelbootjes door de grachten of ze vervelen zich de tyfus bij hun tweede huisje op de Franse campagne.

Ammar vraagt of elke sloep ook nog een ruim heeft waarin een paar honderd mensen verstopt zitten. Al is het maar uit solidariteit. Dan vraagt hij wat ik eigenlijk doe voor de kost. Hij heeft mij ook nog nooit zien werken. Ik leg hem uit dat ik in de winter met mijn kleine circus langs de Nederlandse en Vlaamse theaters trek.

Hoe mijn nieuwe programma heet? „Licht!”, antwoord ik.

Waar het programma over gaat. Ik vertel Ammar dat ik op kom lopen, een welgemeend applaus in ontvangst neem en vervolgens een half uur ga ijsberen. Tijdens dat ijsberen maak ik twee keer een onverwacht grapje. Verder zwijg ik. Dan maak ik een aanzet tot een korte conference, maar die mislukt. Niet expres, maar het wordt niks. De conference bloedt dood. Dan is het pauze. Na de pauze hou ik een kort verhaal. Grappig en vlammend, maar net op het moment dat het publiek denkt dat ik lekker op dreef ben begin ik weer zwijgend te ijsberen. Vooral heel machteloos. Dan zing ik nog een liedje dat wel mooi is, maar na drie coupletten stopt. Een liedje zonder clou. Dan buig ik en is het klaar. Ik neem wel afscheid als een vedette.

Ammar vraagt of het publiek dan niet boos wordt, zich bekocht voelt en nooit meer terugkomt.

Volgens mijn regisseur Frank de Boer niet. En ook mijn impresario Marc Overmars is dik tevreden. De zaak loopt beter dan ooit. Mijn hoofd marketing Edwin van der Sar wil nog een extra serie bijboeken in Carré.

Die lieve Ammar kijkt verbaasd en vraagt waar de jeugd is. Hij ziet alleen maar bejaarden in de bootjes.

Ik vertel hem dat die ieder weekend op een van de zevenduizend festivals staan te chillen en dat ze met zijn twintigduizenden tegelijk op de muziek van dezelfde band of een eentonige dj dansen.

Ammar vraagt hoe ze dat in godsnaam volhouden.

Ik vertel hem dat ze wel allemaal een pilletje slikken en om de paar uur stevig hun neus poederen omdat het anders inderdaad niet lukt.

Dan vraagt hij of hij mijn mobieltje mag lenen. Hij gaat zijn broers bellen. Die moeten allemaal met spoed deze kant op komen. Hij kan het ze niet uitleggen. Dit moeten ze met eigen ogen zien.