Kannibalen van de prehistorie

De Europeanen van 15.000 jaar geleden slachtten hun doden met aandacht, en aten ze op. Het was een ritueel, denkt de Britse archeoloog Silvia Bello die de mensenbeenderen onderzocht.

Magdaleniaanse man maakt een vuistbijl; reconstructie door Atelier Daynès. Foto ANP/ Science Photo Library

In een grot in het zuiden van Engeland ligt een man opgebaard. De stamleden gaan in stilte aan het werk. Met stenen werktuigen villen ze het lichaam, hakken ze de ledematen en het hoofd van de romp, verwijderen ze de organen en snijden ze de spieren van de botten.

De verzamelde mensen geven lichaamsdelen aan elkaar door. Ze beginnen de man, of wat ooit een man was, op te eten. Ze kluiven het vlees van zijn ribben en zuigen het merg uit zijn gebroken botten. Zelfs op de voetbeentjes wordt gekauwd.

Het hoofd krijgt een speciale behandeling. De stamleden bevrijden de schedel van het weefsel eromheen: het hoofd wordt gescalpeerd, de lippen, oren, neus en tong losgesneden, wangen en ogen verwijderd, tot alleen een kale schedel over is.

Met een paar welgemikte slagen bikt iemand de beenderen van het gezicht los. De schedelpan die overblijft heeft nog ruwe randjes. Ook die worden weggebikt. Het eindresultaat: een gladde schedelbeker, om uit te drinken of om iets in te bewaren.

Dit speelde zich 15.000 jaar geleden af in Gough, een grot in een steile kloof in Somerset. Britse en Spaanse antropologen vonden hier snijsporen en tandafdrukken op menselijke beenderen. Hun conclusie: aan het einde van de IJstijd werden de doden niet begraven of gecremeerd, maar in stukken gehakt en opgegeten (Journal of Human Evolution, mei 2015).

Hakken, slachten, opeten. Het klinkt als een lugubere traditie uit een bruut verleden. Maar zo ziet Silvia Bello, antropoloog bij het Natural History Museum in Londen, dat niet. Bello leidde het onderzoek naar de beenderen van Gough. „De mensen die dit deden waren geen primitieve monsters”, zegt ze. „Een overleden familielid opeten was voor hen misschien een fijne manier om afscheid te nemen.”

Bello vertelt monter over haar onderzoek. „Voor mij is dit al lang niet macaber meer. Als antropoloog ben ik vooral nieuwsgierig. Dit grafritueel is anders dan alles wat wij normaal vinden. Kannibalisme is een taboe, maar ik wil het begrijpen.”

Dat kan niet zonder te weten in welke tijd en cultuur deze leefden. De bekraste en afgekloven botten stammen uit de nadagen van de laatste IJstijd. Gletsjers trokken zich terug en maakten plaats voor een uitgestrekte steppe. Een nieuwe cultuur rukte op: het Magdalénien (17.000 tot 10.000 jaar geleden), vernoemd naar de Franse vindplaats la Madeleine in de Dordogne.

De Magdaleniërs waren steppejagers. Ze joegen op rendieren in de winter en migrerende paarden in de zomer. Groepjes jagers overvielen de paardenkuddes op hun jaarlijkse migratie, in de natuurlijke flessenhalzen die op hun route lagen: valleien, rivieren en kloven.

De technologie van de Magdaleniërs was geavanceerd en hun cultuur rijk. Ze maakten prachtige gekartelde harpoenen van botten en rendiergeweien, versierde atlatls (speerwerpers) van mammoetivoor en samengestelde pijlen met een schacht en een zware, vuurstenen punt. Ze hielden jachthonden, hadden grote vuurhaarden, droegen kleren en schoenen en leefden in tenten van rendierhuiden. En ze waren kunstzinnig: in Frankrijk, Spanje en Duitsland zijn vrouwenbeeldjes en abstracte grottekeningen van oerossen, paarden, mammoeten en mensen gevonden.

Paardenkuddes

Het Britse Gough was een Magdaleniaans jachtkamp. De Noordzee lag 15.000 jaar geleden droog. Jagers trokken vanuit het Europese vasteland naar de heuvels van Zuid-Engeland. De Somerset-kloof, waarvan de grot van Gough deel uitmaakt, was toen een natuurlijke passage tussen het laagland in het zuiden en de heuvels in het noorden. Grote paardenkuddes galoppeerden door de kloof op hun jaarlijkse trek.

De Magdaleniaanse jagers maakten daar slim gebruik van: de grotten in de kloof liggen vol met paardenbeenderen. Gough was ongeveer twee eeuwen in gebruik. Waarschijnlijk verlieten jagers dit gebied toen de steppe dichtgroeide met struiken en bomen, en de kuddes verdwenen.

Maar er werden dus niet alleen paarden geslacht in Gough. In de jaren 80 en 90 vonden Britse antropologen hier 205 aangevreten beenderen van minstens zes mensen: drie volwassenen, twee pubers en een kind van drie jaar oud. Het team van Bello heeft alle botten onder de microscoop bekeken. Van elke scheurtje en kras maakten ze een computermodel in 3D. Snijsporen verraden dat mensen het vlees van de botten hebben gesneden en geschraapt.

Volgens Bello gingen de slachters van Gough vakkundig te werk. De krassen zijn fijn en zitten precies op de plek waar de pees aan het bot vast zat. „Vergeet niet dat dit jagers waren”, zegt Bello. „Ik zou nog geen kip kunnen slachten, maar voor deze mensen was slachten een tweede natuur.”

Na de slacht zijn de mensen opgegeten. Dat blijkt uit de talloze tandafdrukken op de beenderen. Tot voor kort wisten antropologen niet goed hoe de afdrukken van mensentanden eruitzagen. Bello: „Antropologen schrijven zulke tandafdrukken vaak toe aan ‘vleeseters’. Maar mensen zijn ook vleeseters.”

Spaanse collega’s van Bello zochten een paar jaar geleden uit welke sporen bottenkauwende mensen achterlaten (Journal of Archaeological Science, januari 2013). Ze lieten collega’s en studenten op konijnen-, schapen- en varkensbotten knauwen en maakten een catalogus van alle achterblijvende putjes, breuken en scheurtjes.

Uit dat kluifonderzoek kwam de ‘pelbreuk’ bijvoorbeeld naar voren als een typische mensenbreuk. Bello: „Een pelbreuk ontstaat als er een stukje bot afbreekt, en je het verder afpelt met je handen en tanden. Alleen mensen en leeuwen laten zulke sporen achter.” In Gough heeft bijna 20 procent van de botten een pelbreuk. Eén tandafdruk is geen bewijs voor kannibalisme, maar het team van Bello vond er honderden. Op meer dan de helft van de botten hebben mensen gekauwd.

Daar bleef het niet bij. De mensen in Gough braken sommige botten open om bij het voedzame merg en beenvet in het binnenste van het been te komen. Uit slijtage aan weerszijden van sommige botten blijkt dat ze met een stenen hamer op een aambeeld gebroken zijn. Zelfs het kuitbeen, een dun bot met een minuscule hoeveelheid merg, is aan diggelen geslagen.

Eten voor tien mensen

Al het bewijs opgeteld is er volgens Bello maar één conclusie mogelijk: de Magdaleniërs in Gough aten elkaar op. Van top tot teen. „Een behoorlijke maaltijd”, zegt Bello, alsof ze het over een grote pizza heeft. „Van het lichaam van een volwassene kunnen minstens tien mensen eten.” Eten voor een hele groep, voor meerdere dagen.

Maar de Duitse antropoloog Jörg Orschiedt wil niets van kannibalisme weten. Orschiedt heeft in Duitsland vergelijkbare botten onderzocht. Deze botten zijn ook van Magdaleniërs en vertonen dezelfde soort krassen. Volgens Orschiedt zijn dit geen sporen van kannibalisme, maar van een dubbele begrafenis. Het lichaam zou eerst zijn begraven, na een tijd weer zijn opgegraven, dan ‘schoongemaakt’ en herbegraven (Paléo, 2002).

Bello en haar collega’s vinden de krassen op de beenderen te regelmatig en secuur voor een half vergaan lichaam. Omdat ieder lichaam anders vergaat, zouden de snijsporen bij een herbegrafenis grilliger zijn geweest. Bello: „We gaan dat nu experimenteel testen, door verse kadavers en kadavers die al deels zijn vergaan te bewerken met stenen werktuigen. Kadavers van varkens, natuurlijk.”

Bello laat zich alleen overtuigen door uitgebreide observaties en experimenten. Maar wat Bello niet met een experiment kan onderzoeken, is waarom mensen elkaar opaten. Hoe interpreteer je een slachtpartij die 15.000 jaar geleden plaatsvond?

Honger lijkt uitgesloten. Bello: „De winters waren streng, maar deze mensen hadden duidelijk genoeg paard te eten.”

Dan blijft het ritueel kannibalisme als verklaring over, denken Bello en haar collega’s. „Daarmee bedoelen we niet dat mensen elkaar opaten in een occult ritueel met wierook en sjamanen”, zegt ze, „maar dat het een gangbaar grafritueel was, zoals een begrafenis en crematie onze rituelen zijn.”

Drie schedelbekers die in Gough gevonden zijn, vormen daarvoor een indirecte aanwijzing. Schedelbekers zijn bekers of kommen gemaakt van een leeggeschepte en schoongemaakte schedelpan. Ze dienden vaak als trofee of talisman. De Scythen en Vikingen zouden uit de schedels van hun overwonnen vijanden gedronken hebben. In Tibet en India werden schedelbekers, soms uitgebreid versierd met metaal en juwelen, gebruikt in hindoeïstische en boeddhistische rituelen.

De drie schedelbekers uit Gough behoren tot de oudste ter wereld. De schedelpan is zorgvuldig schoongemaakt en van de beenderen van het gezicht losgemaakt. En opvallend, voor beenderen uit Gough: op de schedels is niet gekauwd.

Van één schedelbeker zijn de schedelnaden nog niet dichtgegroeid. Deze schedel was van een kind van ongeveer drie jaar oud. Behalve één onderkaakje lagen in de grot geen andere kinderbeenderen. Bello denkt daarom dat het kind ergens anders gestorven is en dat iemand de schedelbeker naar Gough heeft meegenomen en daar heeft achterlaten. „Alles wijst erop dat er in Gough een schedelcultus bestond.”

Critici zouden de schedelcultuur uit Gough nog kunnen afdoen als een extreme uitwas van een lokaal groepje jagers-verzamelaars. Maar er zijn aanwijzingen dat ook elders in Europa mensenschedels gekoesterde relikwieën waren. Zo zijn er in de Franse grotten Placard en Isturitz ook schedelbekers gevonden. Op twee van de schedels zijn een cirkelmotief en een dier gegraveerd, mogelijk een steenbok. En in de grot Veyrier, ook in Frankrijk, lag een schedeldak van een kind met een boorgaatje. Misschien werd dit schedelstukje als hanger gedragen.

Ook in de Poolse grot Maszycka zijn veel Magdaleniaanse schedelresten gevonden, maar die zijn altijd geïnterpreteerd als trofeeën uit een stammenoorlog. En dan is er nog de beenderverzameling uit de Duitse grot Brillenhöhle, waarvan Orschiedt denkt dat het herbegraven botten zijn.

Bello vermoedt dat er op deze beenderen ook sporen van kannibalisme en bewerking zichtbaar zijn. „Het is belangrijk om nu uitputtende, doodsaaie beschrijvingen van deze beenderen te publiceren”, zegt zij daarover, „Zoals wij nu hebben gedaan voor Gough.”

Misschien rolt uit die analyses dat in heel Magdaleniaans Europa mensen werden geslacht, opgegeten en hun schedels tot schedelbeker werden verwerkt. Dat zou verklaren waarom complete skeletten uit deze tijd zo zeldzaam zijn, het grote raadsel van het Magdalénien. Van de 232 Magdaleniërs die in Frankrijk gevonden zijn, zijn er maar tien min of meer compleet. De rest is gefragmenteerd of met stenen werktuigen bewerkt.

Het contrast met de culturen die vooraf gingen aan het Magdalénien, zoals het Gravettien (29.000 - 22.000 jaar geleden) is groot. Gravettiërs werden met grafgiften begraven, zoals hangers van dierentanden of beenderen van gevaarlijke dieren. Soms werden lichamen gewikkeld in doeken die waren ingesmeerd met oker, zodat hun beenderen duizenden jaren later nog altijd rood kleuren.

In het Magdalénien, of tenminste op plekken als Gough, veranderde dat. Overledenen werden in stukken gehakt en opgegeten en van hun lichaam bleef alleen een stukje schedel over.

Volgens Paul Pettitt, archeoloog en auteur van een boek over grafrituelen in de Steentijd (The Palaeolithic Origins of Human Burial, 2010), is die abstractie van het lichaam ook zichtbaar in de kunst die Magdaleniërs maakten. „Het is me wel eens opgevallen dat de muurschilderingen en beelden uit het Magdalénien vaak gefragmenteerde lichamen tonen”, zegt hij. „Dieren en mensen zonder lijf bijvoorbeeld, of zonder hoofd.” In Polen, Duitsland, Tsjechië, Oekraïne, België, Frankrijk en Spanje zijn bijvoorbeeld abstracte vrouwenbeeldjes en gravures van vrouwenlichamen gevonden zonder hoofd, armen of benen.

Bello had daar nog niet bij stilgestaan. „Interessant”, zegt ze. „Dat moet ik eens nalezen.”

Het zou passen bij een volk voor wie lichaamsdelen sterke symbolen waren. Bello: „Op het moment dat mensen hun naasten zo zorgvuldig opdelen en grondig opeten, laten ze ons zien dat een dood lichaam voor hen veel meer betekende dan louter een dood lijf.”