‘Ik ga nu voor de zeven’

Na een mislukte voorstelling werd cabaretier Johan Goossens leraar op een ROC. Bij een croque-madame vertelt hij over zijn rol op het toneel en school. „Ineens durfde ik de klas niet meer in.”

Foto: Merlijn Doomernik

Z’n croque-madame ligt gehavend op zijn bord, verdeeld in „lekkere en minder lekkere stukjes”. Johan Goossens (32) peutert met zijn mes „het witte spul dat ook in lasagne zit” ertussenuit. Toen hij nog geen leraar en cabaretier was, werkte hij in het restaurant waar we nu lunchen: De Ysbreeker in Amsterdam. In de bediening, als kok. „Maar het allerleukst was afwassen.” Graag verving hij de collega’s die geen zin hadden in hun verplichte uurtje in de spoelkeuken. Als onze tafel wordt afgeruimd – „Het was heerlijk, hoor” – bestelt hij nog cappuccino. Decafé want van echte koffie gaat hij trillen. 

De lunch is zijn ontbijt. Hij heeft vakantie, nog even. Komende maand gaat hij weer op toernee met zijn cabaretvoorstelling Daglicht. Komende week zal hij voor het eerst te zien zijn in het satirische televisieprogramma Koefnoen (hij speelt een nerveuze, goedbedoelende leraar), er komt een nieuwe uitgave van zijn columns over lesgeven (Wie heeft er wél een boek bij zich?). En aanstaande dinsdag begint school weer. Hij geeft les op een ROC in Amsterdam, aan mbo-leerlingen recreatie en toerisme. Welke school het precies is, laat hij liever in het midden om de leerlingen die figureren in zijn stukjes en sketches nog een beetje te beschermen. Het meisje met een pistool in haar tas, de jongen die het verschil tussen jou en jouw niet begrijpt, de spijbelaar die kanker voorwendt om ongelimiteerd te kunnen verzuimen.

Dit jaar heeft hij nog maar drie klassen. En hij geeft geen Nederlands meer, maar theaterles. „Ik ga ze een monoloogje laten bedenken, een scène spelen, wat improvisatie.” Hij is er ooit mee begonnen ter opvulling van mentoruren. Uren waarin de mentor leerlingen wegwijs maakt in het leven op school en daarbuiten. „Uitleggen hoe ze met het openbaar vervoer de school kunnen bereiken, hoe ze het rooster moeten lezen, een groepsgesprek over pesten.” Vier lesuren in de week. „Op een gegeven moment ben je wel uitgepraat.” Hij begon met wat speloefeningen te doen, deed zijn geïmproviseerde theaterles ook in mentoruren van collega’s en nu is theaterles een echt vak. „Een extraatje binnen de opleiding.”

Nog een decafé cappuccino. Vroeger, toen hij nog gewone koffie dronk, rookte hij erbij. Hij glundert. „Twee pakjes per dag.” Blauwe Gauloises. „Een voorstelling was bijna niet vol te houden. Halverwege dacht ik: ‘Ik moet nu een sigaret’.” Hij is gestopt, kennelijk. Hoe? „In één klap.” Want? „Mijn theatershow liep niet goed.” Zijn tweede programma was dat, Maandag. „De première mislukte.” Het Griffioentheater in Amstelveen, begin 2011. Slechte recensies in de kranten. Waar ging de voorstelling over? „Dat was het probleem, dat wist ik zelf ook eigenlijk niet zo goed. Het klopte niet. Er werd ook weinig gelachen.”

In 2006 won hij op het Groninger Studenten Cabaret Festival nog alle prijzen: de jury-, publieks- en persoonlijkheidsprijs. Zijn eerste show, A-boom, werd goed ontvangen. Het ging over zijn ervaringen als leraar in het dorpje Akoetsiaboom in Ghana. Hij was 18, had net zijn gymnasiumdiploma, en verliet zijn eigen Brabantse dorpje Sprang-Capelle. Vijfendertig kinderen die hij, zonder opleiding of ervaring, mocht leren lezen en schrijven.

Hij pakt zijn telefoon. Met twee leerlingen – Isaac en Anthony – heeft hij nog vrijwel dagelijks contact. Toen jongetjes met hongerbuikjes die hij af en toe wat eten toestopte, inmiddels mannen van 20, 21 jaar. Hij laat me de mail lezen die één van hen hem stuurde. „Gebrekkig Engels”, zegt hij, alsof dat zijn schuld is. „Dear sir” lees ik. En na wat vriendelijkheden, volgt in de laatste regels een foutloos gespeld verzoek tot het sturen van geld. Johan Goossens zucht, bekijkt de brief zelf nog eens en stelt vast dat het Engels toch niet zo slecht is als hij dacht. „Ze stralen zoveel mogelijk armoe uit. Terwijl ik alleen maar denk: ‘Wow, je hebt een eigen telefoon’.”

Roken

Zijn tweede cabaretvoorstelling viel dus tegen. Maar de theaters in het land hadden hem al geboekt, dus moest hij nog een keer of dertig een show doen waarin hij zelf niet meer geloofde. „Een lerares zei ooit tegen me: Als je niet tevreden bent met je leven, moet je niet alles omgooien want dat lukt toch niet. Je moet één ding veranderen.” Hij stopte met roken. En drie weken later was hij leraar. Waar kwam dat ineens vandaan? „Ik had mezelf gevraagd wanneer ik in mijn leven nou echt gelukkig was geweest. Dat was toen ik lesgaf in Afrika.” Cabaretier zijn en toeren door het land was hem „te allenig”.

„Vrienden van mijn leeftijd ontwikkelden zich op sociaal vlak meer dan ik. Zij hadden een baan, collega’s. Ik had alleen mezelf of de krant als bron van inspiratie.” De sollicitatieprocedure die hij op het podium naspeelt, lijkt behoorlijk op hoe het echt ging. Ik kwam op gesprek bij de directeur. Hij vroeg: ‘Heb je een lesbevoegdheid?’ Nee. ‘Heb je ervaring in het mbo?’ Nee. ‘Durf je les te geven aan niveau twee?’ Ja. De dag erna kon hij beginnen. Nederlands geven aan dertien klassen met kinderen tussen de 16 en 23.

En hoe bevalt het de leerlingen dat zij nu zijn inspiratiebron zijn? „Voor de vakantie heb ik een paar exemplaren van mijn boekje in de klas verloot.” En? „Nou ja, laat ik zeggen, van sommige leerlingen hoopte ik heel erg dat zij niet de gelukkige winnaar werden.” In een column schrijft hij over de koude oorlog in de klas tussen hem en Shanelva (niet haar echte naam). Zij dik en onderuitgezakt in haar schoolbank, zo ongeïnteresseerd mogelijk. Hij geforceerd vriendelijk. Ze herkende zichzelf in het stukje. „Ze zei: ‘Meneer, u had het over mij, hè?’ Ik ontkennen natuurlijk.” Hij had niet gedacht dat zijn leerlingen zijn boek echt zouden lezen. „Van kaft tot kaft.” Ze konden er gelukkig om lachen.

Ongewild bekende hij in een van zijn eerste lessen aan een klas vol Marokkaanse jongens dat hij homo is. Konden ze ook erg om lachen. Een lesuur lol over ‘kontjebonken’. Maar, accepteerden ze het? „Ja, toch wel.” Het interessante is, zegt hij, dat hoe lager het onderwijsniveau is, hoe eerder ze het ‘door’ hebben. „De kinderen van niveau 2 zijn heel direct, die vragen na vijf minuten al of je soms homo bent. De klassen van niveau 4, het hoogste niveau, vragen de laatste dag voor de vakantie: ‘Zeg meneer, hebt u eigenlijk een vriendin?’” Is het belangrijk dat zijn leerlingen het van hem weten? Hij aarzelt. „Je wil niet dat je geaardheid je definieert. Niet als leraar, niet als cabaretier. Maar toch gaat het erover.” In dat halve jaar dat hij na zijn eindexamen in Afrika woonde, heeft hij drie keer malaria gehad. Een keer zo ernstig, dat hij alvast begon aan een afscheidsbrief voor zijn ouders. „Ik schreef: ik ben homo.” Want dat wisten ze nog niet? „Ik had het een keer halvig tegen mijn moeder gezegd, maar die was er niet meer op teruggekomen.” En hoe lang wist hij het zelf al? „Achteraf, denk ik, vanaf mijn vijfde. Er kwam een pikzwart jongetje bij ons in de klas. ‘Ga je mee plassen’, vroeg hij op een middag. Ik moest niet, maar ging toch mee. Die zwarte billen van hem waren het mooiste dat ik ooit gezien had.”

Na krap een jaar lesgeven, raakte hij overwerkt. „Ik stond in de lift, op weg naar mijn klas. Ineens kon ik niet meer ademen. In plaats van mijn lokaal loop ik de lerarenkamer in. Ik zeg: ‘Ik durf de klas niet meer in.’ O, zeiden zij, geroutineerd, dan moest je maar naar huis gaan en je een tijdje ziek melden.”

Dead Poets Society

Hij werd niet gepest, kon redelijk orde houden, was niet onpopulair bij de leerlingen. Wat was er aan de hand? „Blijkbaar krijgen veel beginnende leraren ermee te maken. Je wil te veel. Ik deed er ook te veel naast. Optreden, schrijven, ik was ondertussen mijn lesbevoegdheid aan het halen. En daarnaast was ik mentor. Een droom die uitkwam. Vooraf had ik allemaal van die Dead Poets Society-achtige fantasieën over hoe ik als een vaderfiguur die kinderen tot grote hoogtes zou opstuwen. De werkelijkheid was minder romantisch. Los van allerlei praktische zaken die je voor ze moet regelen – boeken, pasjes, kluissleutels – word je geconfronteerd met de vreselijkste verhalen. Echt, je verzint het niet. Moeders die niet terugkomen van vakantie en hun kinderen achterlaten met 30.000 euro schuld. Vaders in de gevangenis. Kinderen die geen huis hebben.” Hij heeft serieus overwogen een dakloze leerling in huis te nemen, hij woont in een sociale huurwoning in Amsterdam. „Blij dat ik het niet gedaan heb. Achteraf bleek ze een drugsdealer.”

Na die paniekaanval is hij drie weken bij een vriend gaan logeren in Overijssel. En toen? „Toen ben ik maar gewoon weer voor de klas gaan staan.” En dat ging? „Met een oxazepammetje ging het best.” Hij lacht. „Ik moest mijn lessen filmen voor de lerarenopleiding. Hoorde ik mezelf terug met zo’n pil achter de kiezen. Die slurry speech.” Kreeg hij die kalmeringspillen van de huisarts? „Ja. Ik had ze nog liggen. Voor optredens had ik er vaak eentje in mijn achterzak. Meer voor het idee.”

Sinds een jaar of drie, vier heeft hij geen last meer van die angstaanvallen. Eigenlijk al niet meer na die mislukte première van Maandag. „Mijn doel daarna was om cabaret weer leuk te gaan vinden. Ik ben nogal perfectionistisch. Ik wilde altijd overal een 9,5 voor halen. Dat vermoeide me totaal, ik had er geen lol meer in, dus dan werd het een zesje. Nu ga ik voor de 7. Als je dat met veel plezier en energie doet, wordt het misschien wel een 9.”