Het eerste roomijsje

Foto Inge Trienekens

François Massialot was chef de cuisine van de broer van Lodewijk XIV en van nog een handjevol belangrijke mensen uit de zeventiende eeuw. Hij was een van de eersten die een recept voor de bereiding van roomijs optekende.

Dat recept luidde als volgt: neem een chopine (450 ml) zoete room, evenveel melk en een half pond poedersuiker; roer er drie eierdooiers door en kook hiervan een dunne pap; haal die van het vuur, giet hem in een ijsvorm en zet deze drie uur op ijs. Haal de vorm eruit als de massa is opgesteven, verwarm hem een beetje om het storten te vergemakkelijken of houd hem even in warm water. Dien op in een compoteschaal.

Dat Massialot het in 1692 als eerste opschreef wil natuurlijk niet zeggen dat hij ook de eerste was die het maakte. Destijds werden er niet zo veel kookboeken geschreven als nu. Sterker nog: als de Franse kok vandaag de dag de kookafdeling van een boekwinkel zou binnenstappen, zou hij waarschijnlijk acuut een appelflauwte krijgen – en het kon even duren voordat iets dat in de praktijk al gebeurde ook op schrift werd gesteld.

Wie de geschiedenis van het ijsbereiden induikt, is wel even zoet, zo veel is erover geschreven. Toch lijkt niemand te weten wanneer nu echt het eerste roomijs werd uitgevonden. In zijn culinaire naslagwerk Oxford Companion to Food houdt cultuurhistoricus Alan Davidson (1924-2003) het op ongeveer halverwege de zeventiende eeuw, wat niet zo gek is wanneer je bedenkt dat in 1620 ontdekt werd hoe je het vriespunt van ijs en sneeuw kunt verlagen door er salpeter of zout aan toe te voegen. Zo kon je dus ook vloeistoffen laten bevriezen.

Wat volgens Oxford Companion in elk geval niet klopt is het vaak gehoorde verhaal dat Marco Polo, terugkomend uit China, al in de dertiende eeuw ijs zou hebben geïntroduceerd in Venetië. „Dat idee kunnen we wegzetten als CULINAIRE MYTHOLOGIE”, schrijft hij tot twee keer toe. Waarvan akte, meneer Davidson.

Kom, we gaan lekker ijs maken.

Janneke Vreugdenhil