Grootgrutter in plezier

Dertig jaar later bezoekt schrijver Aukelien Weverling de pretparken van haar jeugd. Wat blijft ervan over door volwassen ogen? En hoe beleeft de achtjarige Rafael ze nu? Vandaag: de Efteling.

Foto Niels Blekemolen

Na 34 jaar ben ik terug in Nederlands oudste pretpark. Waar de rode schoentjes eeuwig dansen en Holle Bolle Gijs het leven beleefd aanneemt. Je gluurt er bedeesd vanachter moeders rok naar de Slapende Reus en hoog boven de bomen trekt de Python eindeloos zijn loopings. Zo staat de Efteling gegrift in mijn geheugen en zo zal ik het altijd blijven koesteren. Ik en mijn ouders met ons oor op een paddenstoel, een slapende Doornroosje en zeven kleine geitjes in een huis.

„Het is hier saaaaaai”, geeuwt Raf als we halt houden voor de Groene Draak die zich naar voren buigt en twee kleintjes terugduwt in sterke vaderarmen. Raf is te oud voor het Sprookjesbos en te jong voor jeugdsentiment.

Hij hoeft er ook geen genoegen mee te nemen, want het lijkt wel alsof de Efteling groeihormonen heeft geslikt, zoveel attracties zijn erbij gekomen sinds mijn laatste bezoek.

De Halve Maan schippert oubollig van wolk naar wolk, terwijl de Python zich als een moe, oud beest naar boven hijst. De nieuwe publiekslievelingen lijken Joris en de Draak te zijn, De Vliegende Hollander en Baron 1898. Allen gelegen in Ruigrijk, een van de vier Rijken waarin de Efteling is opgedeeld.

„Moet jij plassen?”, vraag ik aan Raf.

„Nee, ik vind het gewoon heel spannend hier”, zegt hij terwijl hij zenuwachtig van het ene been op het andere hipt. Hij heeft gelijk: in Ruigrijk is meer adrenaline te halen dan bij een goed busongeluk.

Voor het water bij de Vliegende Hollander heeft zich een groepje kinderen geschaard. Telkens als er een karretje het water induikt, strekken ze hun nekken. Wekenlang wachtten ze op de dag dat ze naar de Efteling gingen en nu is het wachten op hun ‘nu-mag-pappa-ook-even’-vaders, mannen van rond de veertig die hun kinderen rustig een uur laten wachten, terwijl zij zelf in de attractie klimmen bezoeken waarvoor hun grut nog te klein of te bang is. „Papa, zit er weer niet in”, roept een kleintje verdrietig als de Vliegende Hollander voor hem in het water duikt. We lopen langs de Baron 1898.

„Ik ben nog te klein, maar denk je dat- ie heel spannend is, Aukje?”, vraagt Raf. Ik kijk peinzend naar de stalen constructie: „Een vrije val, dan onder de grond door, de mist in en weer bovenkomen. Ik denk dat het een beetje lijkt op levend begraven worden.”

Raf knikt: „Dat lijkt me echt heel bijzonder.”

„Dat is het ook”, zeg ik als ik zijn hand pak en voel dat deze durfal toch voornamelijk nog een klein jongetje is. Nadat Raf de Python heeft bedwongen en een beetje groen uitgeslagen is van een ritje met Joris en de Draak (waarvan we een foto gekocht hebben als bewijs voor ons buurjongetje, een kleine stakker met meer lef dan verstand), verlaten we het Ruigrijk om ons heil te zoeken in de andere drie Rijken.

We nemen een heerlijke Droomvlucht, noteren in de Fata Morgana de toch wel enigszins gekleurde weergave van het Midden-Oosten, observeren Laven eindelijk eens in een andere habitat dan de vensterbank of achtertuin, en gillen ons schor in de Piraña.

De Efteling is grootgrutter in plezier. En de Efteling is nog niet klaar, ze wil er 8 hectare bij. Provincie en gemeente zijn enthousiast. Omwoners van het pretpark maken zich zorgen. Zij voelen zich steeds meer als die bekende figuren uit dat ene dorpje dat dapper weerstand bood tegen een enthousiaste overmacht. Maar dan zonder toverdrank. Wat de kansen toch beperkt.

Als het tijd is om de boel de boel te laten zegt Raf verongelijkt: „Maar ik heb nog niet alles gedaan, wat ik wilde doen.” Ik knijp in zijn hand: „Dat is de gotspe van jouw tijd, dat je nooit alles wat je wil allemaal kunt doen op één dag.” Als we Kaatsheuvel inrijden, wijs ik naar buiten: kijk nog maar eens goed om je heen, want over drie decennia is dit allemaal gewoon Efteling.