Een schip met negen levens

De Alfons Marie lijkt een onopvallend binnenvaartschip, maar heeft een veelbewogen bestaan achter de rug. Eigenaar Corine Nijenhuis reconstrueerde de geschiedenis en schreef een biografie.

De Alfons Marie in 1910, eigendom van schipper Adrianus Vermeulen.

Daar ligt ze, 33 meter lang, 114 jaar oud, aan het einde van een drijvende steiger in het IJ. Geen opvallend schip, al heeft ze – voor kenners – een opvallend hoge ‘kop’. Moeilijk voor te stellen dat ze ooit een zeilschip was, en een broodwinning voor generaties schippers. Het ruim, waar bergen bieten hebben gelegen, stenen voor de Afsluitdijk, cement voor de Zeelandburg, heeft patrijspoorten gekregen, dakramen, meubilair. Ze werkt niet meer, ze zwerft nog wel. Ze lag pas nog vijf weken in het Land van Maas en Waal.

Over dit schip verscheen deze week een dikke biografie: Een vrouw van staal. Het vertelt de geschiedenis van het schip vanaf de bouw in 1901 tot het heden. Het boek leest als een roman, maar is ook een documentair portret van een eeuw Hollands schippersleven én een beschrijving van de ups en downs van de binnenvaart, misschien als weinig andere bedrijfstakken speelbal van de geschiedenis.

Schrijver Corine Nijenhuis en haar vriend kochten het schip in 2006 „uit de vaart”. Eigenlijk wilde Nijenhuis geen klipper, ze houdt niet van de karakteristieke ‘wipneus’ van dat scheepstype. Maar deze klipper had dus die hoge kop. Die stond haar meteen aan. De eigenaar, Leen de Jong, voer cement met het schip, van Koudekerk aan den Rijn naar IJmuiden en terug. Dat was niet rendabel meer. Hoewel tien meter langer dan bij de bouw, was het schip te klein geworden vergeleken bij concurrenten. De verkoop ging hem aan het hart. „Hij was zeer aan het schip gehecht en had het heel goed onderhouden”, zegt Nijenhuis in de stuurhut, regendruppels op de raampjes. „Hij was echt op zoek naar een goede baas.”

In haar jaren met Leen de Jong heette het schip Henriëtte, naar zijn vrouw. Deze week is ze omgedoopt tot Alfons Marie, de eerste naam die ze droeg. Die naam dook op toen Nijenhuis in de geschiedenis van het schip was gedoken. Ze wilde weten hoe het aan die hoge kop kwam, wanneer de mast eraf was gegaan. Via Leen de Jong ontmoette ze de vorige eigenaar, Maria van Utrecht, die in 1931 op het schip geboren bleek te zijn. Haar vader had het in 1923 gekocht, ze kon het koopcontract nog laten zien. Nijenhuis spoorde een nazaat op van de allereerste schipper en reconstrueerde ook de vroegste jaren van het schip. Om recht te doen aan de vele mooie en dramatische verhalen, besloot ze het boek deels te fictionaliseren. „Het duurde lang voor ik de goede vorm gevonden had. Ik heb geprobeerd het zo op te schrijven dat je erbij bent. Je vaart mee en je ziet het landschap uit die tijd.”

Wilde vaart

Adrianus Vermeulen, telg van een schippersgeslacht uit Roosendaal, is al 68 jaar als hij in 1901 op een werf in Papendrecht een stalen klipper laat bouwen. Hij heeft een werkzaam leven op een houten tjalk achter de rug. „Een stalen schip was voor die tijd heel modern”, zegt Corine Nijenhuis. „Met staal kun je veel dunner bouwen dan met ijzer, maar dat wisten ze toen nog niet. De scheepswand is hier en daar wel zeven, acht millimeter dik. Daardoor is het schip waarschijnlijk ook in zo’n goede staat gebleven.”

Na Adrianus’ dood gaat het schip over op zijn zoon Johannes, maar die trouwt een meisje van de wal met watervrees. In 1923 besluit hij het schip te verkopen aan zijn knecht. Zo komt het schip in handen van de Zeeuw Marinus Beije, die het noemt naar zijn vrouw Annigje. „Annigje kwam zelf ook uit een schippersgezin, haar vader had een tweemaster. Als meisje liep ze ‘in de lijn’ om het schip te trekken. Ze had de broek aan, werd gezegd. Dat betekende niet dat ze de baas was, maar dat ze een vrouw van stavast was, hard meewerkte. Ze stond altijd buiten bij het zeil, hielp mee bij het laden en lossen.” Behalve dochter Maria krijgen Annigje en Marinus een doodgeboren zoontje, waarover nooit wordt gepraat. „Maria hoorde het op haar achttiende van schippers waar ze naast lagen.”

Het zeilschip voer in die jaren op de wilde vaart, overal waar lading was. Veel op Zeeland, ook wel op België. Het deed mee aan de bietencampagne, waarbij geoogste bieten zo snel mogelijk naar suikerfabrieken werden gebracht. Volgeladen zeilde het over het ruige zoute water van het Volkerak, toen nog een open zeearm met zandbanken die voortdurend verschoven. Soms viel het schip droog en moest worden gewacht op de kentering van het tij.

Het was een hard leven, ook omdat er vaak te weinig vracht was. In 1933, midden in de crisisjaren, kwam er een noodwet evenredige vrachtverdeling. Voortaan werd de vracht op een schippersbeurs eerlijk verdeeld. „Dat waren schippers totaal niet gewend, er waren felle voor- en tegenstanders.” De wet, bedoeld als tijdelijk, werd uiteindelijk pas in 1990 afgeschaft.

In de jaren 30 begon de motorisering. De Annigje kreeg eerst een hulpmotor, ‘lamme arm’ genoemd omdat de as aan de zijkant van de romp in het water hing, en in 1938 een ingebouwde motor. Met de motor kwam ook de eerste stuurhut. Eerder stonden de schippers altijd buiten, in zelfgemaakte regenkleding, met gebreide bivakmutsen op.

In 1943 werd de Annigje geconfisqueerd door de Duitsers. Twee jaar woonde het schippersgezin gedwongen aan wal. Na de oorlog vonden ze het schip terug in Den Helder, geschilderd in camouflagekleuren. „Op de stuurhut had afweergeschut gestaan. In het ruim hadden Duitse soldaten geslapen. De kop was helemaal kapotgevaren.” Op de werf krijgt het schip dan de hoge kop die het nog steeds heeft, een ideetje van de werfbaas. „Die kop maakte het schip erg herkenbaar”, zegt Nijenhuis. „Nog steeds. Als we aan het varen zijn horen we regelmatig: Hé, is dit niet de Henriëtte van Leen de Jong? Laatst zei zelfs iemand: Hé is dat de Marjan?” Zo hadden Maria en Jan van Utrecht het schip gedoopt, toen ze het overnamen van haar ouders.

Eén brugpijler

Maria en Jan kregen vier kinderen. Met zijn zessen woonden ze in het piepkleine roefje achterop. Als de kinderen zes jaar waren gingen ze naar het schippersinternaat in Limburg. In het weekend kwamen ze als het even kon terug naar het schip. Voor een meer geregeld leven waren Maria en Jan gaan varen voor de cementfabrieken van de ENCI in Maastricht, IJmuiden en Rozenburg. Ze droegen bij aan de bouw van de Zeelandbrug in 1965. „Er paste precies genoeg cement in het ruim voor één pijler. We zijn een keer met Maria daarheen gevaren. Kijk, zei ze, een van die pijlers is van ons.”

Er wonen nu nog twee mensen op het schip, met hond Rufus. De vriend van Corine Nijenhuis kwam in 2001 met het idee op een schip te gaan wonen. Het varen zat hem enigszins in het bloed; zijn ouders bezaten een kotter. Nijenhuis zelf was echt een ‘walmens’, zoals schippers dat noemen. Maar het leven op het water bleek ook haar te liggen.

Ze hebben hun vaste ligplaats aan het IJ, maar varen veel met het schip. „We gaan vaak voor anker. Dan liggen we bij Durgerdam en ga ik met de hond een eind lopen op de kant. Water, eten, stroom, diesel en een lekker flesje wijn, meer hebben we niet nodig.” Ze blijven ook regelmatig een paar weken weg. Zo lagen ze eens op een scheepssloperij in Limburg, in een dode lus van de Maas. „Bij het invallen van de winter. Er was niemand. Alleen de sloper en zijn oude vader.”

Als ze varen is haar vriend, die een groot vaarbewijs heeft, de schipper en Nijenhuis de maat. Een goede maat, vindt ze zelf. „Een goede maat communiceert goed met de schipper en volgt orders op. Niks ja maar. Nooit boos worden.” Veel varende woonschepen komen ze onderweg niet tegen. „Mensen hebben daar een romantisch idee van. ‘We kopen een schip, starten de motor en gaan varen.’ Maar de eisen worden steeds strenger. Je moet een marifoon hebben. Papieren. Een waterdicht schot voorin. Dat zijn investeringen. Het kost je geld.” Enige stuurmanskunst is ook gewenst. „Sluizen zijn best spannend. Ik ben blij dat ik met iemand ben die kalm is en het schip zeer goed beheerst. Wij kunnen op de centimeter ergens aanleggen. Dat moet je in de klauwen hebben. Het is wel 33 meter, 220 ton.”

De eerste schipper, Adrianus Vermeulen, is in 1913 aan boord gestorven. Schippers die dat overkwam werden vaak begraven waar ze gestorven waren, ontdekte Nijenhuis bij de research voor haar boek. „Je had een ruim vol lading, je kon een lichaam niet lang aan boord hebben.” Maar Adrianus is in Roosendaal begraven. Zijn vrouw Petronella besloot hem toch terug naar die stad te brengen. „In het boek heb ik geënsceneerd dat er dan mist opkomt, zeevlam. Zitten ze anderhalve dag in de mist te wachten met een lijk aan boord.” De rouwvlag wordt gehesen. Het nieuws van Adrianus’ dood snelt via passanten vooruit naar de stad. Als de mist is opgetrokken staan in de vliet naar Roosendaal de sluizen voor hen open.

Nijenhuis sluit niet uit dat de geest van Adrianus nog rondwaart op het schip. „Als de hond plots opschrikt zeg ik weleens: hé Adrianus, niet Rufus in zijn billen knijpen.”