Een Grondwet die de burger niet tegen de staat beschermt

Liberalen hebben dikwijls een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming en de formulering van de Nederlandse Grondwet. Zoals Gijsbert Karel graaf van Hogendorp, die zelfs als de grondlegger van het huidige staatsbestel wordt beschouwd. Met reden: hij was de ontwerper van de Grondwet van 1815 waarmee de Staten-Generaal en het tweekamerstelsel werden ingevoerd. Die Grondwet bestond afgelopen dinsdag, 18 augustus, 200 jaar. Een feit dat geruisloos passeerde.

Niet verwonderlijk: ook vorig jaar werd al het 200-jarig jubileum van de Grondwet (uit 1814) gevierd. Die van 1815 was een grondige herziening, noodzakelijk omdat Willem I koning was geworden en Noord- en Zuid-Nederland (België) werden samengevoegd.

Liefhebbers van 200-jarige jubilea moeten voor wat betreft de Grondwet wachten tot 2048. De liberaal Johan Thorbecke zorgde in 1848 voor de herziening die leidde tot de parlementaire democratie met rechtstreekse verkiezingen. Zij het nog lang niet voor iedereen.

Hopelijk duurt het niet tot die tijd voordat de Grondwet wordt ontdaan van de omissie die wordt weerspiegeld in artikel 120. Daarin staat dat de rechter wetten die in het parlement zijn aangenomen, niet mag beoordelen op strijdigheid met de Grondwet. Zo mist de Grondwet een vitale functie: de burgers te beschermen tegen de staat. Om zo de bevolking de zekerheid te geven dat de grondrechten die in de Grondwet staan opgesomd, haar niet worden ontnomen. Een klassiek liberaal principe. Voor die bescherming zijn inwoners van Nederland, anders dan elders, aangewezen op het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

Bij pogingen om de constitutionele toetsing in te voeren, spelen de liberalen, althans degenen die bij de VVD zijn aangesloten, opnieuw een rol. Nu helaas in negatieve zin, al geldt dat niet voor alle leden. Notabene al elf jaar geleden werd in de Tweede Kamer een initiatiefvoorstel van de toenmalige leider van GroenLinks, Femke Halsema, aangenomen om, zoals dat heet, een wijziging van de Grondwet te overwegen. Dat gebeurde met steun van de VVD. In 2008 stemde ook de Eerste Kamer hiermee in. Met slechts één stem verschil en ditmaal was de VVD-fractie tegen.

Het initiatiefvoorstel beoogt de rechter een beperkte toetsingsmogelijkheid te geven, toegespitst op de grondrechten. Maar de realiteit is dat het voorstel niet haalbaar is: de tweederde meerderheid die nu in tweede instantie voor de Grondwetswijziging is vereist, is ver te zoeken. Ook de Tweede Kamerfractie van de VVD is nu tegen, het CDA was dat altijd al. Ook de PVV blijkt er anders over te denken dan indertijd de ‘Groep-Wilders’.

Het Tweede-Kamerlid Joost Taverne betoogde namens VVD-fractie dat de democratisch gekozen volksvertegenwoordiging er is om zélf wetten aan de Grondwet te toetsen en daarbij ook het laatste woord te hebben. Het is een principieel standpunt, waarbij evenwel al snel het gezegde van de slager die zijn eigen vlees keurt in gedachten komt. Van onafhankelijke, constitutionele toetsing is dan uiteraard geen sprake. Het gaat ook voorbij aan de functie van de rechterlijke macht als ‘tegenmacht’ in de trias politica.

Taverne gaat nog een stap verder. Hij heeft namens zijn fractie het initiatief genomen om rechters te ontheffen van hun taak om wetten te toetsen aan (door Nederland ondertekende) Europese verdragen. In de Grondwet moet dan komen te staan dat het oordeel van de wetgever, regering en Staten-Generaal dus, over de verenigbaarheid met internationaal recht het definitieve is. Zoveel absolute macht toekennen aan de staat: een liberaal zou ervan gruwen.