Door haar brieven ging ik haar liefhebben

Journalist Paul Hellmann (80) schreef een boek over zijn grootmoeder Irene, die uit een voorname Weens-joodse familie kwam. Ze werd in 1944 in Auschwitz vermoord. „Soms kreeg ik tijdens het schrijven de aanvechting haar te hulp te schieten.”

Tekst Renate van der Zee Foto Andreas Terlaak

Hutkoffer

„Ergens in de jaren tachtig werd een oude hutkoffer bij mij afgeleverd, zomaar uit het niets. Die hutkoffer had jarenlang bij een Haagse antiquair op zolder gestaan. Hij was weggegooid als niet iemand de moeite had genomen een nabestaande op te sporen van de Weens-joodse familie aan wie hij had toebehoord. In die koffer bevonden zich honderden foto’s, documenten en brieven van onder anderen mijn grootmoeder Irene, die in Auschwitz is vermoord. Ik stond halfslachtig tegenover die hutkoffer. Ik had een drukke baan als journalist, ik had een gezin. Ik dacht dat ik niet zo veel meer met dat familieverleden te maken had. Ik had ooit een succesvol joods echtpaar geïnterviewd dat veel familieleden had verloren in de oorlog. Op een dag kreeg het verleden die mensen in zijn greep en stortten ze volkomen in. Dat was een schrikbeeld voor mij. Ik zette die koffer dus op zolder, in een donkere hoek. Daar is hij vijftien jaar blijven staan.”

Onderduiken

„In 1942, toen ik zeven jaar oud was, moest ik onderduiken. Ik kwam terecht bij een familie waar ik het goed had en daar heb ik enorm geluk mee gehad. Niet ver van mij vandaan, bij een keuterboer in Ede, zat mijn vader ondergedoken in een kippenhok. Hij heeft het niet gered; hij is verraden en gedeporteerd naar Sobibor. Ik heb daar in mijn leven maar weinig over gepraat. Hoe zou dat je aan mensen moeten vertellen? Simpelweg zeggen: ‘Mijn vader is in Sobibor vermoord’? Dat is onmogelijk. Ik heb dat in mijn jonge jaren wel eens gedaan, maar zag al gauw dat mensen niet wisten hoe ze daar op moesten reageren. Daarom zei ik altijd maar vaag: mijn vader is omgekomen in de oorlog. Jarenlang wist ik ook heel weinig over de omstandigheden rond zijn dood.”

Bioscoop

„Ik ben in staat geweest een goed leven op te bouwen omdat ik bij zulke lieve mensen ondergedoken heb gezeten. En dankzij het feit dat ik getrouwd ben en kinderen heb gekregen, wat altijd mijn diepste wens was. Dat heeft mij erdoorheen gesleurd. Dat, en de bioscoop. Als jongeman raakte ik verslaafd aan film. Ik spijbelde om naar de bioscoop te kunnen en al mijn geld ging er aan op. Daar, in de geborgenheid van die donkere zaal, kon ik mij onderdompelen in andermans avonturen, zonder dat ik zelf kwetsbaar was. Ik kon veilig toekijken. Misschien is dat wel de erfenis van mijn jeugd: dat ik altijd een beschouwende buitenstaander ben gebleven. De journalist Michael Stein verweet me ooit: jij bent altijd een onderduiker gebleven, jij stelt je altijd verdekt op. Ik was toen woedend, maar misschien had hij wel gelijk. Aan de andere kant was mijn vader ook terughoudend – dat heeft hem genekt toen het er op aan kwam: hij was niet doortastend genoeg om te vluchten. Dus misschien is het wel een familietrek.”

Jodenjagers

„Pas toen ik met pensioen was, heb ik toch die hutkoffer van zolder gehaald. En toen is het met me op de loop gegaan. Ik dacht dat ik een streep onder het verleden had gezet, maar die streep werd uitgewist. Allereerst heb ik een boek geschreven over mijn jeugd. Naar aanleiding van een krantenartikel daarover, spoorde een voormalige buurjongen mij op. Wonderlijk genoeg woonde hij in Ede, waar mijn vader ondergedoken had gezeten. Hij zei: je zult zien dat we meer te weten kunnen komen. We doken het archief in en wonder boven wonder kwamen allerlei papieren naar boven. Zo kon ik een boek over mijn vader schrijven. Hij was gepakt door de beruchte jodenjagers Reit en Kipp. Over hen is een dossier aangelegd, waarin veel is te vinden over hun slachtoffers. Ik vond er ook een briefje dat ikzelf, in onbeholpen kinderletters, aan mijn vader had geschreven en dat hij bij zich droeg. Het is wel de ultieme wreedheid dat hem dat ook is afgepakt.”

Vage Rus

„Op een dag kwam er een vage Rus bij ons langs, een wat oudere man die bevriend was met een nicht van mij. Hij bracht twee zware plastic tassen mee. In die tassen bleken brieven te zitten die mijn grootmoeder tijdens de oorlog aan haar dochter had geschreven. Ongelofelijk dat je zoiets in handen krijgt. Maar ik deed er hetzelfde mee als wat ik indertijd met die kist had gedaan: wegleggen. Ik was er niet aan toe. Pas nadat het boek over mijn vader was uitgekomen, ben ik aan die brieven begonnen. Het was een enorme klus, want mijn Duits is niet geweldig, ik moest het handschrift van mijn grootmoeder ontcijferen en het was een chaos. Ik moest er echt doorheen ploegen. Maar geleidelijk kwam ik er in. Door die brieven is mijn grootmoeder tot mij gekomen. Ik dacht altijd dat zij sterk en zelfverzekerd was, maar uit die brieven kwam een kwetsbare vrouw naar voren die ik ontzettend ben gaan liefhebben.”

Richard Strauss

„Ik heb altijd geweten dat mijn grootouders rijk waren, maar toen kwam ik erachter dat ze schatrijk waren. Dat hun prachtige Weense huis een trefpunt was voor musici, schrijvers en kunstenaars, die ze steunden. Richard Strauss, Gustav Mahler en Arthur Schnitzler behoorden tot hun vriendenkring, ze hadden schilderijen van Gustav Klimt aan de muur. Maar in de jaren dertig raakte het bedrijf van mijn grootvader in een crisis en verloren ze veel van hun rijkdom. Na de Anschluss werden ze door de nazi’s, die gewoon hun huis binnendrongen, geïntimideerd. Kort daarop overleed mijn grootvader aan een longembolie. Wanhopig vluchtte mijn grootmoeder met zijn urn naar Rotterdam – daar was mijn vader gaan wonen. Een fatale keuze. Het vreemdste aan dit verhaal is dat alle dingen die belangrijk lijken, zoals rijkdom, aanzien, relaties, goede vrienden, niets meer voorstelden toen het er op aan kwam. Die dingen bleken niet meer dan een zucht in de wind. Niemand heeft een vinger uitgestoken om haar te helpen.”

Conciërge

„Tegen het einde van haar leven was mijn grootmoeder alles kwijt. Haar man, haar bezittingen, haar vaderland. Twee van haar kinderen zaten in het buitenland, de derde was ondergedoken. Maar ze schreef nooit over alle rijkdom, alle bezittingen die ze had verloren. Het enige wat voor haar nog telde was de vraag: zullen we elkaar ooit nog in de armen sluiten? Uiteindelijk kwam ze terecht in de Wolkenkrabber, een bekend woongebouw in Amsterdam, waarvan de conciërge naar verluidt niet te vertrouwen was. Ze is op een gegeven moment weggegaan uit die flat, maar keerde daar nog eenmaal terug om iets op te halen, tegen alle waarschuwingen in. Het verhaal wil dat ze toen door die conciërge is verraden.”

Verdriet

„Soms kreeg ik tijdens het schrijven de aanvechting mijn grootmoeder te hulp te schieten. Ook heb ik wel eens wrevelig gedacht: doe nou wat! Maar ik kon natuurlijk alleen maar toekijken. Door het simpele feit dat ze geen geld hadden, konden zij noch mijn vader een veilig heenkomen zoeken. Dat is hun noodlottig geworden op een manier die eigenlijk niet te beschrijven valt. Ik heb daar nu veel meer verdriet over dan dertig jaar geleden. Jarenlang leek het alsof ik het kon hanteren en kwam het alleen op onverwachte momenten boven. Nu ligt het veel meer aan de oppervlakte. Toch ben ik blij dat ik dit boek heb geschreven. Ik heb mijn grootmoeder leren kennen, of tenminste, facetten van haar. Ik ken nu haar gevoelens en daar ben ik blij mee. Het betekent veel voor mij dat ik het noodlot dat haar heeft getroffen in kaart heb kunnen brengen. Het is het enige wat ik voor haar kan doen.”