De reis door de tunnel was een bevalling

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg doet er dagelijks verslag van.

Doesjanbe, de hoofdstad van Tadzjikistan, is een lommerrijke stad met fonteinen, fraaie gebouwen en aangename parken. Een wereld van verschil met de Oezbeekse hoofdstad, maar de weg naar Doesjanbe was volgens reisgenoot Qader het ergste wat we tot nu toe hadden meegemaakt.

Al in de buurt van de stad Choedzjand, niet ver van de grens met Oezbekistan, had een winkelier ons voor die weg gewaarschuwd.

Een kilometer of negentig voor Doesjanbe stond een file van vrachtwagens. Achter een Mercedes uit Tadzjikistan reden we door de berm langs de file tot we bij een afgesloten tunnel uitkwamen. Daar nam een agent onze autopapieren in beslag, alsmede de autopapieren van enkele Tadzjieken. De agent liep met de autopapieren heen en weer en de mensen die hun autopapieren weer terug wilden liepen achter hem aan. Aan Qader merkte ik dat hij nerveuzer was dan anders.

„Komen we hier weg?” informeerde ik.

„Ga slapen”, zei hij, „en als je naar de wc moet, ga achter dat huisje zitten.”

Na anderhalf uur kregen we de autopapieren terug.

De tunnel in aanbouw was tegen die tijd ook weer geopend, maar die tunnel was eerder een vergrote rioolbuis. Er was slechts één baan, waardoor we over vier kilometer tunnel ruim drie uur deden. Menige vrachtwagen, die volgens Qader al in 1950 had moeten worden afgekeurd, bleef steken.

Ergens halverwege de tunnel brak ik. „Ik hou het niet meer uit”, zei ik, „we zitten al een uur zonder noemenswaardige zuurstof in uitlaatgassen. We worden hier vergast, ik moet naar de wc. Ik ga lopen.”

„Jij moet slapen”, riep Qader, „jij moet leren naar mij te luisteren.”

„Ik ben jouw slaaf niet”, schreeuwde ik. „Ik moet slapen als jij het zegt, ik moet poepen als jij het zegt. De volgende keer ga je maar met Kader Abdolah op reis. Ik houd het niet meer uit.”

„Denk je dat je beter bent?”

„Beter?”

Even dacht ik dat Qader zich afvroeg of ik me beter voelde, maar hij vervolgde met: „Jij bent niet beter dan de andere mensen in deze tunnel. Iedereen wil hier weg. Je bent een overlever van niets. Controleer je gedachten. Door te denken overwin je de pijn.”

De volgende dag drinken we thee in Doesjanbe. De reis door de tunnel was een bevalling geweest, maar de wedergeboorte had geen nieuwe mensen opgeleverd. De nieuwe mensen leken verdacht veel op de oude.