Waarom ze één van de snelste vrouwen is

Zondag beginnen voor Dafne Schippers (23) de WK atletiek in Beijing. Ze geldt als een kanshebber op een medaille op de 100 en de 200 meter. Alleen haar eerste twee passen zijn nog niet perfect.

Dafne Schippers eerder deze maand tijdens een training op de atletiekbaan van Papendal. Foto JERRY LAMPEN / ANP

Ze heeft mijn bouw, dat zeker”, zegt Evert Schippers resoluut. „Spieren maken we allebei makkelijk aan. Ik kon bij eender welke sport – zeilen, judo, basketbal – makkelijk met de besten mee vroeger.”

„Ja, maar dat doorzettingsvermogen, dat heeft ze van mij”, vult Karen Schippers haar man aan. Evert: „Volgens mij heb je gelijk. Die ijzige, consequente focus ja, die hebben jullie allebei.”

Vader en moeder Schippers zijn het eens: hun dochter Dafne (23), die zondag als een van de favorieten voor een sprintmedaille begint aan de WK atletiek in Beijing, heeft het beste van hen allebei. En dat talent hadden ze al vroeg bij haar gezien. Laatst vond Karen Schippers een schriftje van haar jongste dochter (zus Sanne is zes jaar ouder, broer Derek bijna vier jaar) terug uit groep 4. „Dafne was 7. Ze schreef dat ze de leukste sportdag ooit had gehad, omdat ze alle jongetjes eruit had gelopen.”

Tot die tijd zagen haar ouders in hun dochter niet per se een potentiële topatlete. Ja, ze was beweeglijk, voetbalde graag met de jongens mee, maar ze was klein van stuk – de verloskundige had bij haar geboorte gezegd dat ze niet langer dan 1.65 zou worden – en ze viel niet erg op tussen de andere kinderen. Maar Schippers groeide door. Ze meet nu 1.79 meter.

Dat Schippers als jong meisje altijd aan het rennen en springen was, zou nog wel eens de basis kunnen hebben gelegd voor het succes van vandaag de dag, zegt de Amerikaan Loren Seagrave, hoofdcoach van de afdeling sprint en hordenlopen bij de wereldatletiekfederatie IAAF. De Amerikaan kwam de afgelopen vier jaar regelmatig op uitnodiging van de Atletiekunie op Nationaal Sportcentrum Papendal om Schippers en haar coach Bart Bennema de finesses van de sprint bij te brengen.

Het is volgens Bennema bekend dat het zenuwstelsel bij meisjes tussen de 7 en 11 jaar het hardst ontwikkelt. „En dat zal het moment geweest zijn dat Dafne veel explosieve bewegingen maakte – korte sprintjes, felle sprongen. Haar zenuwstelsel heeft die explosiviteit zich toen al eigengemaakt. En natuurlijk heeft ze genetisch meer snelle spiercellen dan langzame. Dat moge duidelijk zijn.”

Het is dat zenuwstelsel waar Seagrave op blijft hameren. Dat is de boordcomputer van het lichaam, en wordt aangestuurd door de hersenen. „Kijken, oefenen, en opnieuw, tot in perfectie. Dat heeft Dafne de laatste jaren gedaan.”

Coach Bennema, die sinds Schippers’ zestiende intensief met haar samenwerkt, zegt dat er na de Spelen van Londen „een schepje bovenop is gedaan”, in trainingsintensiteit vooral. „Vanaf dat moment zijn we meer fysiek gaan trainen, met zware gewichten en weinig herhalingen. Ze raakte gauw wat babyvet kwijt en daar kwam spiermassa voor in de plaats. Dafne heeft veel aanleg voor spiergroei, ze reageert snel op prikkels in het krachthonk.”

Een getuned zenuwstelsel dus, dat de ideale sprintbeweging (korte contacttijd met de grond, grote passen) minutieus kan uitvoeren. Een sterk lijf daarnaast, dat maakt dat de topsnelheid snel kan worden bereikt. Een blank lijf ook, terwijl de toppers vrijwel altijd zwarte sprinters zijn. Dat dat genetisch bepaald is, is echter nooit bewezen. Bennema: „Jenna Prandini (VS, 10,92 op de 100 meter) is toch ook blank en snel? Die meiden zijn talentvol. Punt.”

Wat scheidt haar dan nog van wereldtitels? Haar start. Snel reageren is het probleem niet. Wel zijn dat de eerste twee passen. Ze kan daarin niet al haar kracht kwijt. Karen Schippers: „Ze wil te graag. Leert ze ontspannen, dan zal dat ook beter gaan.” Ernst Schippers ziet het zo: „Het is als wegfietsen op een zwaar verzet. Dat is pittig. Maar ben je eenmaal op stoom...”