Tourniers roman is tegelijkertijd visionair en verouderd

Het boek is een verjaardagscadeau uit 1988 en ademt de sfeer van een onschuldiger verleden: Michel Tournier neemt ons in De gouden druppel mee naar het noorden van de Sahara, waar de jonge Idris (op de achterflap heet hij ‘Arabisch’, maar in de tekst blijkt hij een berber) op de foto wordt gezet door een blonde Française met korte mouwen, wat hem ertoe verleidt de reis te ondernemen die in de zomer van 2015 centraal staat in het nieuws: die over de Middellandse Zee, naar een beter leven in het noorden.

Tournier schrijft een soort welwillend-antropologische literatuur die inmiddels nagenoeg uitgestorven is. Meteen de eerste zin stelt ons op de hoogte van een gedragsverschil tussen geiten en schapen: ‘Een regen van stenen voerde het vliegend eskadron van de loszinnige geiten, altijd bereid over de keienrijke bodem uit te waaieren, naar de compacte, volgzame schapendrom terug.’ Het is tekenend voor de enorme hoeveelheid informatie die de roman bevat – en trouwens ook voor het soepele vakmanschap van Tournier. Hij schrijft mooi over de vriendschap tussen Idris en Ibrahim, een iets oudere nomadenjongen, die ‘jegens oasebewoners een toegeeflijke minachting [koesterde] die geenszins getemperd werd door het feit dat hij voor hen werkte en van hen afhankelijk was om te kunnen bestaan.’ De omgang tussen de jongens heeft een zweem van erotiek (‘Hé rondstaart, kijk eens! Ik heb een puntstaart!’) Maar Ibrahim sterft en Tournier grijpt Idris’ reis aan om veel te vertellen: over rituelen en gewoonten, de staat van de wegen, Oran, Marseille en Parijs.

De gouden druppel is tegelijkertijd verouderd en visionair. Verouderd omdat de vriendelijke nieuwsgierigheid waarmee Tournier over moslims in Noord-Afrika schrijft vermalen is geraakt tussen de opkomst van fundamentalisme en islamofobie – en alle min of meer gematigde vormen daarvan in de clash of civilizations.

Maar je kunt Tournier (90, inmiddels) niet verwijten dat de wereld is veranderd. Interessanter is de rol van het beeld in de roman. Idris gaat naar het noorden op zoek naar de foto die van hem is gemaakt – naar het stuk van hemzelf dat ermee is verdwenen. Hij belandt in een wereld die van de valse beelden aan elkaar hangt: een fotostudio met nepwoestijn aan de rand van de Sahara, filmopnamen en peepshows. Uiteindelijk wordt de jongen (het ideaalbeeld van de beeldschone jonge exoot) model voor paspoppen. Het is Tournier te doen om het cultuurverschil, maar het mooie is dat hij óók een haarscherp beeld geeft van onze inmiddels nog veel verder doorgevirtualiseerde samenleving. Precies daarin verschillen Noord en Zuid steeds minder. Een moderne Idris had in Marseille op de kade eerst een selfie gemaakt.