Schreeuwde ze maar eens een keer tegen me

Ook in Polaks nieuwe novelle is de blik achterwaarts gericht. Een bejaarde joodse vrouw lijdt onder de angst om aan haar tweede man en haar dochter te vertellen wat haar in Auschwitz is overkomen.

Een gevangene in concentratiekamp Auschwitz Foto AP/Auschwitz Museum

Chaja Polak (1941) ontkwam ooit, in 1944, aan deportatie. Haar ouders werden wel opgepakt. Zij kon op het onderduikadres blijven omdat ze met vooruitziende blik in het paspoort van haar gastouder als dochter was bijgeschreven. Haar schuilnaam: Evelyne. Na de oorlog werd ze herenigd met haar moeder, die een nieuw gezin zou stichten.

Deze oorlogsperikelen en de pijnlijke nawerking ervan, vormen al vanaf het begin de grote inspiratiebron voor de autobiografisch getinte verhalen en romans van Chaja Polak. In romans als Tweede vader (1996) en Salka (2004) draaide het vooral om de problemen van de tweede generatie met het naoorlogse leven. De een vroeg zich af waarom er zo weinig werd stilgestaan bij de vader die in het kamp was omgekomen. De ander deed haar beklag over het feit dat ze haar moeder nooit eens voor zichzelf had en altijd maar weer moest delen met stiefbroers en -zussen. ‘Voorbij is voorbij’, hield iemand haar voor. ‘Je moet vooruitkijken’.

Lyon

Ook in Twintig minuten, de nieuwe novelle van Chaja Polak, is de blik vooral achterwaarts gericht. Deze keer komt er geen zoon of dochter aan het woord, maar een moeder, een gepensioneerde bibliothecaresse uit een buitenwijk van Lyon, die het allemaal zelf heeft meegemaakt. Zij overleefde Auschwitz. Zij kan het als enige van de familie navertellen – en dat is ook precies wat haar voortdurend kwelt.

Er is een verhaal dat steeds treiterig door haar hoofd spookt, en dat ze graag met man en dochter zou delen, maar ze stelt het keer op keer uit omdat het haar in een kwaad daglicht zou stellen: ‘Het verwijt me dat ik leef, het verwijt me dat ik laf ben, het heeft gelijk.’

Net als veel andere overlevenden voelt Bronia zich permanent schuldig. Waarom heeft zij het wél overleefd en al die anderen niet? Waarom heeft zij niet weten te voorkomen dat ‘het kind’ bij de selectie in de beruchte linkerrij belandde? En waarom rukte ze zich niet los van haar man, die haar arm vastklemde, zodat ze zich bij het kind had kunnen voegen? Het vonnis werd – maar dat hoorde ze pas later – in twintig minuten voltrokken.

Omdat zij dagelijks stilstaat bij dit omgekomen kind, blijft er voor haar tweede dochter Evelyne weinig aandacht en liefde over. En voelt ze zich ook daarover weer schuldig. Evelyne zelf heeft begrip voor haar moeder en klaagt zelden. Teveel begrip, meent Bronia. ‘Schreeuwde ze maar eens tegen me, verweet ze me maar wat ik nalaat.’

Teveel begrip

Tot zover is er eigenlijk weinig nieuws onder de zon. In korte, ingetogen, enigszins mompelige zinnen roept Polak, zoals in elk van haar boeken, een oorlogstrauma op dat hele families ontwricht. Bijzonder aan Twintig minuten is dat het uiteindelijk niet in oorlogsellende en schuldcomplexen blijft steken.

Ergens op driekwart rijst de novelle op uit zijn wel erg stille overpeinzingen en krijgt hij alsnog vaart – net als hoofdpersoon Bronia zelf, die zich eindelijk met haar auto door de drukke avondspits van Lyon weet te wurmen. Dan komt er meer licht en lucht in de geschiedenis, worden de zinnen wat expressiever en eindigt het zowaar nog uitbundig. De moeder begroet haar dochter – die een tijd weg is geweest – voor het eerst met open armen en deelt haar mee dat ze haar iets wil vertellen: het verhaal over het dode zusje dat wij al bij stukken en beetjes gepresenteerd kregen in de voorgaande bladzijden.

Polak maakt hier – onder het motto gedeelde smart is halve smart – aannemelijk dat kampslachtoffers zich ook pas vijftig jaar na de oorlog voor het eerst echt bevrijd kunnen voelen.