Optica-wetenschap uit de losse pols

In de loop van de zestiende eeuw begonnen schilders steeds vaker optische instrumenten te gebruiken bij hun werk. Zo maakte Vermeer gebruik van een camera obscura, aldus filosofe Laura J. Snyder.

De geograaf (1669) van Johannes Vermeer

Eind oktober 1632 worden in Delft, vlak bij elkaar in de buurt, twee jongetjes geboren. Ze zullen allebei beroemd worden, elk op hun eigen vakgebied: Johannes Vermeer als schilder en Antoni van Leeuwenhoek – oorspronkelijk landmeter en lakenhandelaar – als onderzoeker, die met zijn microscopen een onbekende wereld van het allerkleinste blootlegde. Of ze elkaar ooit hebben ontmoet staat niet vast. Van Leeuwenhoek zou zijn opgetreden als executeur-testamentair voor Vermeer, die op zijn beurt zijn buurtgenoot weer zou hebben afgebeeld in zijn schilderijen De astronoom en De geograaf.

Maar de heren hadden meer gemeen. Volgens Laura J. Snyder, hoogleraar filosofie aan St. John’s University in New York, deelden ze een nieuwe manier van kijken, die voortkwam uit de ontwikkeling van optische instrumenten en theorieën over het menselijk gezichtsvermogen. Met haar recent verschenen Eye of the Beholder schreef Snyder daar een onderhoudend, maar slordig boek over. Een dubbelbiografie, die in afwisselende hoofdstukken het leven van de kunstenaar en de wetenschapper beschrijft, doorspekt met uitweidingen over perspectief en optica, over schilderkunst en wetenschap, en over de manier waarop die twee elkaar beïnvloedden.

Ommekeer

Van Leeuwenhoek werd als ‘liefhebber’ een van de grootste onderzoekers van de zeventiende eeuw, een tijd waarin er een ommekeer plaatsheeft in de wetenschappen: Aristoteles moet plaatsmaken voor Galileï en Newton en empirische methoden – het experiment en de eigen waarneming, gaan de boventoon voeren. Niet voor niets luidde het motto van de in 1660 opgerichte Royal Society Nullius in verba, wat vrij vertaald zoiets betekent als: ‘Geloof niemand op zijn woord’. Vijftig jaar lang zou Van Leeuwenhoek zijn ongekend gedetailleerde microscopische waarnemingen in brieven delen met de leden van dit koninklijk gezelschap, waarna deze in vertaling een plaats kregen in de Philosophical Transactions.

Snyder vertelt het allemaal met veel vaart en enthousiasme, maar in hoeverre de nabijheid van Van Leeuwenhoek veel invloed heeft gehad op het werk van Vermeer blijft onduidelijk. Omgekeerd is er meer te vertellen. Het interessantst in dit verband is de vraag in hoeverre Vermeer en Delftse collega’s als Carel Fabritius en De Hooch zijn beïnvloed door ontdekkingen in de optica. Het staat vast dat in de loop van de zestiende eeuw schilders gingen experimenteren met lenzen en (holle) spiegels. Leonardo da Vinci schreef al dat een schilder het beste kon beoordelen of zijn voorstelling levensecht was door deze te vergelijken met een spiegelbeeld van het origineel. Spiegels maakten deel uit van de gereedschapskist van de schilder. Maar het is een open en fel betwiste kwestie óf en zo ja op welke manier ze de mogelijkheden van optische afbeeldingstechnieken daadwerkelijk toepasten.

In zijn boek Vermeer’s Camera (2001) legde Philip Steadman aan de hand van nauwkeurige analyses van een aantal schilderijen overtuigend bewijs op tafel dat Vermeer gebruik moet hebben gemaakt van een camera obscura. Dat leidde tot discussies in de vakliteratuur die nog altijd niet zijn uitgewoed. Snyder kent die achtergronden, maar verschaft een weinig gebalanceerd beeld van de opvattingen die er op dit gebied de ronde doen. Dat is jammer, zeker omdat ze blijkens de ondertitel van haar boek de ‘herontdekking van het zien’ zegt te willen behandelen.

Ook op andere manieren verzint Snyder er vrolijk op los. Zo begint ze elk hoofdstuk met een korte schets waarin ze haar protagonisten denkend en handelend opvoert, zoals het verslag van een koele septembermorgen in 1683 waarop Van Leeuwenhoek zorgvuldig zijn tanden schoonmaakt en de opbrengst vervolgens onder zijn microscoop bekijkt.

Spinoza

Verder suggereert ze allerlei verbanden en onderlinge contacten, zonder bewijs aan te voeren. Zo zou Van Leeuwenhoek zijn instrument om lenzen te slijpen hebben gekregen van Spinoza: ze behoorden immers beiden niet tot de gangbare protestantse kerk. Nederlandse woorden zijn vaak verkeerd gespeld (‘trekschuits’), Frederik Hendrik wordt opgevoerd als de zoon van prins Maurits, en Galileo Galileï maakte inderdaad gebruik van een diafragma, alleen niet om het te felle licht in zijn telescoop te temperen, maar om het licht dat afkomstig was van de randen van de lens en dat zorgt voor vertekening en onscherpte te onderdrukken.

De grootste omissie is dat Snyder geen kennis blijkt te hebben genomen van Nederlands onderzoek naar een uitgebreid netwerk van personen in Delft met niet alleen de vereiste theoretische (wiskundige) kennis, maar ook de praktische optische vaardigheden en technieken. Dat verklaart de opmerkelijke optische prestaties van de Delftse School van schilders, maar heeft mogelijk ook bijgedragen aan de ontwikkeling van Van Leeuwenhoeks enkelvoudige microscoop. Dat Snyder hier volledig aan voorbij gaat is wellicht de grootste misser van dit weliswaar enthousiaste, maar teleurstellende boek.