Mijn lichaam is iets geworden wat ik mee moet slepen

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg doet er dagelijks verslag van.

In de ontbijtzaal van ons hotel in Tasjkent komen we drie Afghanen tegen over wie reisgenoot Qader zegt dat ze eruitzien als krijgsheren. Ze zijn brutaal en dikbuikig. Maar een van hen blijkt een rechter in Kabul, Safiullah Mojadidi is zijn naam. Hij was medeverantwoordelijk voor de rechtszaak tegen de mannen die Farkhunda, een 27-jarige vrouw, doodsloegen en verbrandden omdat ze de Koran zou hebben ontheiligd. Mojadidi zegt dat hij in Oezbekistan is om op adem te komen, in Afghanistan kan hij zich niet vrij bewegen. Mocht ik hem willen interviewen over de zaak-Farkhunda, dan kan dat.

Als ik terugkom van mijn kamer om wat spullen te pakken is Mojadidi verdwenen, hij moest naar de tandarts.

Oezbekistan is een islamitisch land, maar het contrast met Afghanistan kan niet groter zijn: burka’s ontbreken, stelletjes die hand in hand lopen op straat, overal zie je vrouwen. „Dankzij de Sovjet-Unie”, zegt Qader, „die hebben de boel hier gealfabetiseerd.”

Ondanks onze wankele gezondheid reizen we naar Tadzjikistan, een van de laatste grenzen die we zullen passeren.

We lopen naar de auto, mijn lichaam is iets geworden wat ik mee moet slepen.

„Jij schrijft niet”, zegt Qader, „hoe aardig de mensen hier zijn. Jij bevestigt de westerse blik.”

„Wat is de westerse blik?”

„Wij versus zij.”

„Jij bent zelf verwesterd”, zeg ik, „goed, je ziet de geschiedenis als één grote samenzweringstheorie, maar zo zien veel westerlingen het tegenwoordig ook.”

Er staat geen lange rij bij de grensovergang bij Chanak, een Oezbeeks gehucht. Een vrachtwagenchauffeur zit op een opklapstoel voor zijn vrachtwagen en luistert naar muziek.

De Oezbeekse douaniers zijn nu niet in porno geïnteresseerd, maar in mijn medicijnen en vooral in de schoenen die we bij ons hebben om weg te geven aan mensen zonder schoenen – we zijn relatieve armoede tegengekomen onderweg, maar tot nu toe droeg iedereen schoenen.

Ik moet dringend naar de wc.

Een vriend schreef me over Deleuze, die het over de ‘logica van uitputting’ heeft gehad. Die logica lijk ik geïnternaliseerd te hebben, besef ik hurkend in een hokje. Fysieke uitputting is mentale uitputting.

Er is geen wc-papier, ik gebruik mijn Moleskine-boekje. Ik moet zuinig zijn met lege bladzijden, dus spreek ik mijn aantekeningen aan. Normaliter ben ik zuinig op de aantekeningen. Ik weet nu eindelijk echt wat onthechting is.

Wel lees ik snel nog wat ik heb geschreven voor de aantekening tot wc-papier verwordt.

Wordt vervolgd