‘Ik schrijf over mijn familieleden maar ze interesseren me niet’

Zes literaire prijzen kreeg deze schrijfster voor haar originele debuut over haar joodse familie in de Sovjet-Unie. „Met dit boek heb ik mijn leven voor mezelf verklaard.”

Katja Petrowskaja: ‘Hier vraagt iedereen of ik Primo Levi wel gelezen heb, wat niet zo is. Ik wilde mezelf beschermen’ Foto Christian Mang

Ze is gehaast, want morgen vertrekt haar zestienjarige dochter voor een scholierenuitwisseling naar Costa Rica. En daarna heeft ze haar zoveelste interview. En dan is ook haar acht jaar oudere broer ineens over uit Chicago, waar hij hoogleraar judaïca is. Kortom, het leven van Katja Petrowskaja (Kiev, 1970) wordt gekenmerkt door onrust. Vooral sinds ze voor haar in 2014 verschenen en in twintig landen vertaalde debuut Vielleicht Esther (Misschien Esther, besproken in Boeken 27.02.15) zes literaire prijzen kreeg, waaronder de Italiaanse Premio Strega Europeo.

We hebben afgesproken in een café in Berlijn, in Prenzlauer Berg. In die hippe wijk woont ze sinds 1999, met haar Duitse man en hun beide dochters. En ook nu is ze onrustig. Tijdens ons gesprek schieten haar ogen alle kanten op en vertaalt ze regelmatig een Duits woord in het Russisch, alsof ze het in de klank van haar moederstaal meer betekenis kan geven.

In Misschien Esther vertelt Petrowskaja de geschiedenis van haar Russisch-joodse familie. Het is een verhaal dat idyllisch begint in tsaristisch Polen, maar eindigt in de martelkelders van Stalin en de vernietigingskampen van Hitler. Om die geschiedenis te reconstrueren, dook ze de archieven in, voerde ze gesprekken met nog levende verwanten, en reisde ze naar Polen, Rusland en Oekraïne. De lege plekken vulde ze met haar fantasie in. Gecombineerd met haar associatieve, dromerige, geestige, en vaak speelse taal, ontstond aldus een bijzonder literair werk.

Waarom schreef u ‘Misschien Esther’ in het Duits en niet in het Russisch?

„Voordat we in 1999 naar Berlijn verhuisden, woonden we twee jaar in Amsterdam, waar mijn man bij Greenpeace werkte. Ik probeerde er Nederlands te leren om Russische les te kunnen geven. Op een dag vroegen twee van mijn leerlingen waarom ik met zo’n Duits accent sprak. Ik antwoordde dat ik in Moskou Duits was gaan leren, vanwege mijn man. ‘Maar iedereen hier zal denken dat je een Duitse bent’, zeiden ze. Ik kon dus beter een Russisch accent hebben dan een Duits. Alsof alles wat Duits was niet deugde, vanwege de oorlog. Het was gewoon racisme, terwijl in Nederland iedereen doet alsof hij bezig was met het redden van Anne Frank. Op dat moment besloot ik dat ik Duitse was.

„Door Duits te leren was het alsof ik de oorlog herbeleefde, maar tegelijkertijd was het een poging om ermee om te gaan. Terwijl ik er, toen ik aan mijn boek begon, nog vanuit ging dat zoiets onmogelijk was.”

Uw Duits klinkt voortreffelijk.

„Toch heb ik die taal nooit echt geleerd. Toen ik de Ingeborg Bachmannprijs kreeg, moest ik voor het eerst in mijn leven interviews in het Duits geven. Maar ik kon geen behoorlijke zin formuleren, en dat lukt me nog steeds niet. Om een taal goed te kunnen leren moet je je zeker voelen en dat kan alleen als je de grammatica kent. Maar in Moskou had ik slechts een beginnerscursus op het Goethe Instituut gevolgd. Eenmaal in Duitsland kwam daar een zwangerschapscursus bij. Zo leerde ik, hoogzwanger, woorden als persen en uitbroeden. Ik ben een echte autodidact.”

Hoe vond u Duitsland, toen u daar in 1999 ging wonen?

„Het eerste hoofdstuk van mijn boek speelt zich af op de kale vlakte voor het Hauptbahnhof in Berlijn. Die plek is door de oorlog getekend en gaat over lijden, steden, mensen, woorden. Toen ik daar stond, besefte ik dat ik zelf de oorlog was geworden. Zo sterk voelde ik de aanwezigheid van het verleden.

„Ik was naar Berlijn gekomen om te ontsnappen aan Moskou, waar de euforie en de lichtheid van het bestaan van begin jaren negentig plaats hadden gemaakt voor een hysterische koopziekte en geldzucht. En in Berlijn was het leven zo normaal. Daar kon ik in alle rust zien hoe de geschiedenis van de Sovjet-Unie echt was verlopen. Op school had ik alleen leugens over het Sovjetverleden voorgeschoteld gekregen. Wat er nu in Rusland gebeurt, is mogelijk dankzij die geschiedvervalsing.”

Waarom wilde u dit boek schrijven?

„Ik wilde het vastgeroeste, eeuwenoude vooroordeel bestrijden dat joden anders zijn. De schilder Max Liebermann [1847-1935] zei zijn leven lang dat hij Duitser was. Hij werd pas een jood toen de nazi’s aan de macht kwamen.

„Ik had geen enkel plan, ik ben helemaal geen echte schrijfster. Wel beschikte ik over het Sovjetverleden van mijn familie, had ik mijn achtergrond als literatuurwetenschapper en was ik een nieuwe taal aan het leren met allerlei andere klanken. En dan wilde ik ook nog weten waarom ik uit Rusland was vertrokken en waarom we in mijn familie uiterlijk zo op elkaar lijken.”

Hoe joods bent u zelf eigenlijk?

„Ik voel me niet joods. In de Sovjet-Unie ben ik door christelijke waarden gevormd. Natuurlijk bestaat het jodendom, maar ik heb er weinig mee – ik ben toevallig joods, zoals anderen Duits zijn.”

Hoe is uw boek tot stand gekomen?

„Het is een product van Prenzlauer Berg: een groene, zuivere, democratische omgeving. Ik heb er vierenhalf jaar over gedaan, maar er mijn hele leven over nagedacht. In eenzaamheid, schrijvend in een andere taal, besefte ik pas hoe moeilijk het is om over de Sovjet-Unie te vertellen.

„Mijn vader kwam altijd met verhalen over de verschrikkingen die er hebben plaatsgevonden: de revolutie, de burgeroorlog, de collectivisatie van de landbouw, de hongersnood, de Stalinterreur, de oorlog. Mijn moeder vulde hem aan, maar zij ging er veel dieper op in. Ook las ik de boeken van Aleksandr Solzjenitsyn en Varlam Sjalamov over de goelag. Er was zoveel dood bij ons thuis, dat ik er ellendig van werd. Al heel vroeg begreep ik dat ik er aan onderdoor zou kunnen gaan.”

En hoe is dat nu in Berlijn?

„Hier vraagt iedereen of ik Primo Levi wel gelezen heb, wat niet zo is. Ik wilde mezelf beschermen. Dat doe ik ook in Misschien Esther, waarin ik mijn grenzen wilde opzoeken. Door de catastrofe te beschrijven, word je zelf ook slachtoffer. Bovendien vroeg ik me voortdurend af, toen ik over mijn grootvader schreef, welk recht ik had om dat te doen.”

Is ‘Misschien Esther’ meer dan een familiegeschiedenis ?

„Enerzijds wel, maar ook weer niet. Ik wilde laten zien hoe je iets verzamelt en hoe levens verlopen. Zo heb ik mijn familiegeschiedenis verzameld, maar in feite heb ik mezelf verzameld door alles bij elkaar te voegen wat ik heb geleerd en opgenomen. Daarnaast is mijn boek een morfologische zoektocht naar de klank van woorden.

„In wezen interesseren mijn familieleden me helemaal niet. Ze zijn hoogstens exemplarisch voor wat er met mensen kan gebeuren. Het ging mij vooral om de manier waarop ik hun verhaal zou vertellen.”

Ging het schrijven u makkelijk af?

„Ik ben niet echt belezen. Mijn boek is gebaseerd op de angst dat ik alles door elkaar haal. De angst voor het nemen van beslissingen is ook de angst om volwassen te worden. En dat is weer heel joods, want in die angst ben ik een echt Luftmensch [Jiddisch voor iemand die zich niet met praktische zaken bezighoudt].”

Was het Duits een hindernis bij het schrijven of juist een hulp?

„Ik schrijf nog altijd moeizaam in het Duits. Bovendien wilde ik vermijden dat mijn boek een memoir werd. Ik wilde abstraheren. Uit onzekerheid zocht ik steeds naar woorden en probeerde ik die te voelen. De taal in mijn boek is het enige dat ik verzonnen heb.”

Had u meer literaire vrijheid in het Duits?

„De dichter Iosif Brodski schrijft in zijn beroemde essay ‘In anderhalve kamer’ in het Engels over zijn ouders, omdat het Russisch de taal was waarin zij hun leven lang waren onderdrukt. Daarom heeft hij ze beschreven in de taal van de democratie.

„Voor het Russisch en het Duits is dat anders: tussen die talen bestaat een eeuwenoude bloedverwantschap via de cultuur en de tsaren, via de wetenschap en de twee wereldoorlogen. Mijn generatie is door de Duitse Romantiek bepaald.”

U heeft geprobeerd om talrijke hiaten in uw familiegeschiedenis op te vullen. Hoe ging dat in zijn werk?

„Voor het deel over de zeven generaties waarin mijn familie lesgaf in het doofstommenonderwijs heb ik veel onderzoek gedaan. Ik heb met deskundigen gesproken, boeken gelezen, een cursus doofstommentaal gevolgd – het werd steeds vreemder voor me. Ik probeerde me voor te stellen hoe mijn betovergrootvader Sjimon Stern, die in de eerste helft van de negentiende eeuw in Wenen een school voor doofstomme kinderen oprichtte, met zijn eigen kinderen, zijn doofstomme leerlingen en een aantal wezen door Galicië en Polen trok om geld in te zamelen. Aanvankelijk wist ik noch van joodse doofstomheid, noch van doofstom jodendom iets af. Pas toen ik bij Sjimon Stern belandde, zag ik op een gegeven moment beelden voor me. En die heb ik beschreven. Of het juist is weet ik niet, want eigenlijk weten we amper hoe die wereld er toen heeft uitgezien.”

Bent u in de Sovjet-Unie zelf ooit gediscrimineerd op grond van uw joodse achtergrond?

„Nee, nooit. Veel van onze vrienden waren van joodse komaf, maar net als bij ons zei het hun niets. Dat veranderde toen ze naar Israël of Amerika emigreerden en ze ineens religieus werden. Mijn broer was toen al volwassen en maakte het veel indringender mee dan ik. Daarom betreurde hij het vertrek van al die vrienden van wie hij zoveel geleerd had. Toen ook hij ineens een gelovige jood werd, waren mijn ouders diep geschokt. Al twee generaties betekende joods niets in onze familie. Wel kenden we joden die christen of boeddhist waren geworden.”

Hoe was dat leven in de Sovjet-Unie?

„Iedereen met een geweten zat bij elkaar. Het deed er niet toe of je joods was of niet. Het enige dat telde was hoe je met dat gruwelijke verleden van ons land omging. „Voor mijn moeder gold altijd: we zijn Sovjetburgers en moeten eerlijk met onze geschiedenis zien om te gaan. Ooit heeft ze bijna ontslag genomen als lerares geschiedenis, omdat ze voor de klas niet al die officiële leugens over de geschiedenis van de Sovjet-Unie wilde verkondigen.”

Wat betekende de oorlog voor uw familie?

„Mijn familieleden zagen zichzelf niet als slachtoffers van de nazi’s, omdat ze zich geen joden voelden. De oorlog was voor hen een aanval van de Duitsers op hun vaderland. Ze waren Sovjetburgers, die zich verantwoordelijk voelden voor hun land.”

Hoe kijkt u tegen de huidige oorlog in Oekraïne aan?

„De Majdan-opstand in Kiev is inmiddels ver weg. Vandaag speelt in Oekraïne alleen nog de oorlog in het oosten. Die Poetin-Versteher in Duitsland zijn idioten. Poetin voert in Oekraïne een klassieke Sovjetmachtspolitiek om zelf aan de macht te kunnen blijven.

„Ik had het erover in een talkshow op de Duitse radio, maar de luisteraars snapten er niets van. Een van hen wees me toen op Babi Jar [het ravijn bij Kiev waar de nazi’s in 1941 honderdduizend joden vermoordden]. De Duitsers hebben een enorm schuldgevoel jegens Rusland, en daarom jegens Poetin. Maar ze hebben dat niet jegens Oekraïne, wat idioot is. Oekraïne en Wit-Rusland waren geheel door de nazi’s bezet en het Russische deel van de Sovjet-Unie niet. Dat is nu het resultaat van die officiële leugens over de Tweede Wereldoorlog. In mijn familie komen net die twee groeperingen oorlogsslachtoffers voor over wie in de Sovjet-Unie gezwegen werd: joden en krijgsgevangenen.

Terug naar uw boek. Het is wereldwijd een groot succes. Hoe voelt dat?

„Succes is ambivalent. Het is mooi natuurlijk, maar je wordt er ook door gedicteerd. Vanwege de thematiek werd mijn boek nog voor het was verschenen al meteen aangekocht door allerlei buitenlandse uitgeverijen. Als ik ergens optreed, kent iedereen in de zaal meer Jiddische woorden dan ik. Ze zien me als een kenner van het jodendom, terwijl ik er niets mee heb.

„Kort na de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs zat ik daar in een radioprogramma over de herdenking van de bevrijding van Auschwitz. Ineens werd er Jiddische muziek gedraaid. Ik zei toen dat ik daar niet van hield. Het hoorde niet bij ons leven in Rusland. Maar opnieuw wilden ze me in een etnische hoek stoppen. Juist uit protest daartegen heb ik mijn boek geschreven.”

Bent u al met een volgend boek bezig?

„Ik zie mezelf niet als schrijfster. Ik heb weliswaar een idee voor een nieuw boek, maar ik weet nog niet in welke taal. Met Misschien Esther heb ik in ieder geval iets afgesloten. Ik heb mijn leven voor mezelf verklaard.”