Ik heb de twijfel thuisgelaten

Polsstokhoogspringer Pluim kende stormachtige entree, maar de weg naar de internationale top is lang.

Polsstokhoogspringer Femke Pluim: „Als die lat eenmaal zo hoog ligt, is het best een eind, hoor.” Fot KAREL DELVOYE/Novum

En óf Femke Pluim geschrokken is. Het is nogal wat als een collega-polsstokhoogspringer tijdens een training op haar hoofd in de afzetbak valt en een dwarslaesie oploopt. Voor de rest van haar leven is de Oostenrijkse Kira Grünberg vanaf haar nek verlamd. De Nederlands kampioene wil er niet te vaak aan denken. Daar ga je niet beter van springen.

Pluim is vol ambivalentie in Beijing aangekomen, de stad waar ze op de WK haar eerste sprongen op het sterk verlangde mondiale podium mag maken. Zij wel en niet Kira, met wie ze op wedstrijden een klik had. Leeftijdsgenoten die elkaar altijd zouden helpen.

Zoals vorige maand bleek op de EK onder 23 jaar in Tallinn. Pluims stokken waren lange tijd spoorloos en het was de vraag op ze er tijdig over kon beschikken. Uit voorzorg had ze Grünberg gevraagd of ze haar stokken eventueel mocht gebruiken. Ja hoor, geen probleem. „Dat zeg veel over haar”, zegt Pluim. „Zo lief, want niet iedereen wil dat anderen met hun stokken springen. Of ik hetzelfde zou doen? Ik denk het wel. En voor Kira zeker.”

Grünbergs val wees Pluim nog maar eens op de gevaren van polsstokhoogspringen, misschien wel het spectaculairste atletiekonderdeel. Ze heeft nagedacht over bescherming, maar dat is lastig. Sommigen dragen een helm, maar als je, zoals Grünberg, met je nek op de rand van de afzetbalk valt, biedt een helm ook geen bescherming. „Er wordt gesuggereerd dat bij polsstokhoogspringen een black-out kan voorkomen. Ik heb daarnaar gezocht op internet, maar er niets over kunnen vinden. Nee, ik ben niet gaan twijfelen, dan wordt het juist gevaarlijk. De twijfel heb ik thuisgelaten.”

Mijmeren in het Vogelnest

Pluim wil vooral genieten van haar WK-debuut, wat ze een vijftal jaren geleden al mijmerend in het Vogelnest niet had durven voorspellen. Tijdens een vakantie in China had ze het door de architectuur, de Olympische Spelen en het spectaculaire optreden van de Jamaicaanse sprinter Usain Bolt fameus geworden stadion bezocht. Eenmaal binnen was ze gaan zitten en dacht ze: wat zou het gaaf zijn om als atleet hier te mogen optreden. Met glinsterende ogen: „En nu mag ik er springen. Is dat niet bijzonder?”

Destijds had Pluim geen benul van haar sportieve toekomst. Het meisje uit Gouda had turnen - „ik vond mezelf niet meer goed genoeg” – ingeruild voor atletiek, de sport van haar tweede keus. De vwo-scholiere had destijds evenmin benul van de richting die ze op wilde. Ze kwam op polsstokhoogspringen doordat ze bij haar club een aantal meerkampers, onder wie haar huidige coach Alex van Zutphen, zag springen. Dat leek Pluim wel stoer, waarna ze vroeg of zij ook een keer mocht. ‘Pas als je de 100 meter in dertien seconden loopt en bij verspringen de vijf meter haalt’, zei Van Zutphen tot haar teleurstelling.

Woorden die de ambitieuze Pluim uitdaagden. In no time had ze aan die eisen voldaan, waarmee de weg omhoog, zowel letterlijk als figuurlijk, werd ingeslagen. Ruim vijf jaar verder is de 21-jarige studente bewegingstechnologie de onbetwiste Nederlandse nummer één en haalde ze vorige maand op de NK clubteams in Vught de limiet voor zowel de WK in Beijing als de Olympische Spelen in Rio de Janeiro.

Heel optimistisch

Wat je noemt een stormachtige entree. Maar Pluim is realistisch en beseft dat de weg naar de internationale podia lang en zwaar is. Op de jaarlijst staat ze met haar persoonlijk record van 4.55 meter slechts 27ste, 36 centimeter verwijderd van lijstaanvoerder Yarisley Silva uit Cuba, die al over 4.91 meter sprong. En het gat met het wereldrecord (5.06) van de Russin Jelena Isinbajeva is 51 centimeter. Flinke verschillen, maar Pluim wordt er niet warm of koud van. Zelfverzekerd: „Ik ben altijd heel optimistisch. Zo van: 51 centimeter op 4.55 meter vind ik procentueel nog wel meevallen.” Om er met een glimlach aan toe te voegen: „Maar als die lat eenmaal zo hoog ligt, is het best een eind, hoor.”

Om nog beter te worden kijkt Pluim vooral naar de beste springers. Silva bewondert ze vanwege haar lage greep op de stok. „Dat is heel bijzonder, de stok laag vastpakken en toch hoog springen. Ik stond met open mond te kijken toen ik haar voor het eerst zag springen, niet normaal.”

Of wat te denken van de Franse wereldrecordhouder Renaud Lavillenie. Pluim vindt „vooral zijn techniek bizar goed.” Volgens haar is die met niemand vergelijkbaar. „Hij is klein, maar heeft juist een hoge greep. Dat hij zoiets kan is heel bijzonder.”

Bij hen vergeleken heeft Pluim een lange weg te gaan. Met zelfspot: „Ik heb een hoge greep, maar spring laag.” Maar in gedachten: ‘nu nog’.