Getergd door de pesterijen op het pleintje

De rest van Amsterdam heeft het stadsdeel ten noorden van het IJ ontdekt. Maar wonen in de voornaamste probleembuurt van de stad met de ‘usual suspects’ valt dichter Jan-Willem Anker zwaar.

De Rietzangersweg in de Vogelbuurt in Amsterdam-Noord Foto Maurice Boyer

Amsterdam-Noord is in rap tempo aan het veranderen, ook demografisch. Die veranderingen gaan niet zonder de nodige problemen. Chris Keulemans, voormalig directeur van de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord en inwoner van een van de probleembuurten, rondom de Van der Pek-straat, constateerde tot zijn met ergernis gemengde verbazing dat veel nieuwe bewoners van Amsterdam-Noord er ‘binnenkomen alsof het terra incognita is, ze ontdekken als het ware met open mond dat er ook nog bewoners zijn.’

Tot de nieuwe bewoners behoort Jan-Willem Anker, dichter en romancier. Hij ‘stak het IJ over’ om er te gaan wonen op een pleintje (oorspronkelijk een straat) in wat in vele opzichten de meest problematische wijk van heel Amsterdam is, de Vogelbuurt. Hij beschrijft uitgebreid de pesterijen en de overlast van de usual suspects die op het plein rondhangen. Hij doet manmoedige pogingen zijn betrokkenheid bij de buurt te bewijzen door zwerfvuil te verwijderen, onkruid uit de perken te trekken, vergaderingen over de herinrichting van het plein bij te wonen.

Zijn vrouw Anna spreekt de klierende jochies regelmatig aan. Anker zelf haalt een voetbal uit een boom. En ja, het kan natuurlijk gekmakend zijn: inbraken in de hele buurt, kapot gegooide vensters, een waaklamp van een aanpalende school die de hele nacht aan en uit gaat en je van je slaap berooft.

Anker wil zich dus wel degelijk als een betrokken bewoner laten gelden, en doet uitgebreid melding van zijn digitale correspondenties met de diverse instanties die zich over de probleemwijk ontfermen. Elke ambtelijke taalfout wordt door hem met een streng (sic!) gecorrigeerd, alsof foutloos Nederlands een basisvereiste zou moeten zijn voor dit soort werk. Ook doorspekt hij zijn dagboek regelmatig met Franse uitroepen en verwensingen: je m’en fous. En tout cas. Très sympa. Je vraagt je af of die taal ook wordt gesproken op de buurtbijeenkomsten die hij sinds 2012 bijwoonde.

Het ontbreekt Anker niet aan zelfspot wanneer hij van zijn razernij is bekomen (‘Dit moet vernietigd worden’). Ook is een neiging tot introspectie hem niet vreemd. ‘Haat ik mijn buurt?’ vraagt hij zich af, om dat vervolgens te ontkennen en te concluderen, ‘als ik handel, voorzichtig, laat ik me gemakkelijk uit het veld slaan […] De utopie dient onmiddellijk in al haar glorie verwezenlijkt te worden. De rest voelt als vechten tegen de bierkaai.’

Bijziendheid

Het Plein had dan ook best een sympathie oproepend dagboek kunnen zijn, ware het niet dat de auteur er voor heeft gekozen alleen zijn plein te beschrijven en zich onverschillig te tonen voor de wijdere omgeving. Het is een bijziendheid die irritatie wekt. Als Anker het Historisch Centrum Amsterdam-Noord bezoekt, doet hij dat niet om meer te weten te komen over ontstaan en verloop van de probleembuurt, maar alleen om uit te vinden wanneer, waarom en hoe de voor controverses zorgende parkeerplaatsen op het plein werden aangelegd.

Het toeval wil dat onlangs ook een boek verscheen over het Leefkringhuis aan het Koekoeksplein, een uniek project dat al dertig jaar bestaat en voor zijn succesvolle en onorthodoxe aanpak met diverse prijzen is bekroond en de aandacht heeft getrokken van politici en opbouwwerkers uit heel Europa.

In deze uitgave wordt uitgebreid beschreven hoe Paul Scheerder, de motor van dit Leefkringhuis, onder het motto ‘het komt goed’ dikwijls urgente problemen oplost en al doende de cohesie van de wijk helpt bevorderen. Het Koekoeksplein, met Scheerders tehuis, ligt een meter of honderd verwijderd van het door Anker beschreven plein. Maar als je beide boeken na elkaar leest vraag je je af of ze werkelijk over dezelfde buurt gaan. Bij Anker geen woord over iets dat verder ligt dan zijn eigen plein, dus ook niet over het Leefkringhuis. Beter kan zijn bijziendheid niet geïllustreerd worden.

De merkwaardigste zin in het hele boek staat er als naschrift van een lang citaat uit een ‘gebiedsanalyse’ over Oud Noord die recentelijk verscheen en waarin de problemen (hoge werkloosheid, veel schooluitval, laaggeletterdheid, criminaliteit) worden samengevat. ‘Ik lees het bovenstaande als een vorm van erkenning’ schrijft Anker dan. Erkenning? Wacht even: voor wat? Voor het feit dat hij kennis neemt van iets dat bijna iedereen in Amsterdam-Noord allang wist? Of voor het feit dat deze ambtelijke rapportage zijn ergernis zou legitimeren?

Af en toe vindt Anker rust als hij op een huis in het ‘Pompejische’ Amsterdam-Zuid mag passen. Tegen het eind van zijn dagboek laat hij weten dat hij op zoek gaat naar een andere woning. Dat lijkt me een verstandig besluit.