Een verrader keert terug uit het land van de Moeras-Arabieren

Deze roman lijkt, in aanzet, geplaatst te kunnen worden in de reeks literaire exercities van getraumatiseerde Amerikaanse militairen die (dikwijls zeer geslaagd overigens, zie Kevin Powers, Karl Marlantes en Phil Klay) hun ervaringen in Afghanistan en Irak vorm proberen te geven. Maar deze auteur, Matthew Olshan, deed nooit dienst in het Midden-Oosten, en het gebied dat hij beschrijft wordt nergens expliciet genoemd.

Toch wijst alles er op dat het boek zich grotendeels afspeelt in Zuid-Irak, in het gebied van de door reisschrijver en ontdekkingsreiziger Wilfred Thesiger vereeuwigde Moeras-Arabieren. Een trots en strijdbaar volk, wiens voortbestaan onder het bewind van Saddam Hoessein werd bedreigd door economische, religieuze – het volk is in meerderheid sjiitisch – en politieke onderdrukking. En voor wie vervolgens de Amerikaanse interventies een nog ontwrichtender rol zouden spelen.

Olshan, die vóór dit romandebuut naam maakte als kinderboekenschrijver, werkt volgens de tegenwoordig iets te vaak beproefde methode van de omgekeerde chronologie. Het boek begint in het heden, met een wel uitermate harde landing van hoofdpersoon Gus in wat ‘de hoofdstad’ wordt genoemd, waarin eenvoudig Washington DC te herkennen is.

We leren gaandeweg dat hij een lange gevangenisstraf heeft uitgezeten, als verrader wordt herkend, en door een liefhebbende museumconservator wordt opgevangen. Waarom zij dit doet wordt pas langzaam duidelijk, als het boek de eerste van zijn twee lange stappen terug doet, en de lezer ontdekt wat er in de voorgaande decennia is gebeurd. Dan blijkt Gus, allereerst als officier en later als arts, zowel getuige als betrokkene te zijn bij een gruwelijk incident dat zijn latere status als paria in de VS niet rechtvaardigt, maar wel verklaart. Het middelste hoofdstuk, waarin Gus’ affectie voor de moerasbewoners en zijn motivatie om voor hen te werken duidelijk wordt, is het sterkste.

Ondanks de treffende beelden en een uiteindelijk toch intrigerende opbouw van Waterland, doet Olshan zichzelf en zijn lezers tekort door iets te karig te zijn in het doseren van die informatie-met-terugwerkende-kracht. De pijn van de teruggekeerde verrader, de conflicten binnen de Arabische gemeenschap en de historie van het volk worden te weinig ingekleurd. Olshan dwingt zijn lezers daardoor, misschien bewust, tot ‘terug lezen’, hetgeen in dit geval geen straf is, maar toch ook uitgelegd kan worden als een weeffout in een niet helemaal geslaagde roman.