Een bloedbad in de Nieuwe Steentijd

Een massagraf in Hessen, waarin zeker 23 lichamen lagen, wijst op massaal geweld in de Europese prehistorie.

Amsterdam. Volwassen mannen, oudere vrouwen en kleine kinderen, met ingeslagen schedels en gebroken onderbenen. Ruw in een greppel gesmeten, tussen allerhande afval. Dat lugubere beeld rees op toen een wegenbouwer in 2006 stuitte op een 6.500 jaar oud massagraf. Het lag bij Schöneck-Kilianstädten, in de Duitse deelstaat Hessen. Daders en slachtoffers van dit prehistorische bloedbad behoorden tot de zogenoemde Bandkeramische cultuur.

Deze naar het kenmerkende aardewerk genoemde beschaving van de allereerste Europese landbouwers verspreidde zich tussen 5.500 en 4.400 v. Chr., aan het begin van de Nieuwe Steentijd, over een groot deel van Europa, van Nederland tot Oekraïne.

Drie Duitse prehistorici en een Oostenrijkse collega analyseerden de menselijke resten in het massagraf en publiceerden deze week hun bevindingen (PNAS, online edition).

Wetenschappers vragen zich al heel lang af hoe en waarom de Bandkermiekcultuur aan zijn eind kwam. Zij hebben gespeculeerd over conflicten, sociale onrust, over oorlogen en massaal geweld. Aanwijzingen voor zo’n gewelddadig scenario vonden zij in het Duitse Talheim en in het Oostenrijkse Asparn-Schletz, waar massagraven zijn blootgelegd met lukraak begraven menselijk gebeente. Deze graven weken sterk af van de lijkbezorging die is aangetroffen in nederzettingen van de Bandkeramiekcultuur, waar lichamen met zorg waren bijgezet, omgeven door grafgiften.

Massaal geweld

Het massagraf in Hessen is een nieuwe aanwijzing voor massaal geweld aan het einde van de Bandkeramiekperiode. Het ligt in een gebied met sporen van dichte bewoning uit die periode, dichtbij de scheidslijn tussen vindplaatsen met verschillende typen vuurstenen. Het was, kortom, een dichtbevolkt grensgebied.

Het massagraf is een V-vormige greppel van 7,5 meter lang en 1 meter breed, in een nederzetting met 18 huizen. De menselijke beenderen lagen chaotisch door elkaar, ze zijn deels bros en uit elkaar gevallen. In de zure bodem zijn veel botten waarschijnlijk vergaan. Toch vielen sekse en leeftijd nog te achterhalen.

Uit een leeftijdsanalyse bleek dat er in ieder geval 13 volwassenen lagen, 10 kinderen jonger dan zes jaar, twee tussen 6 en 8 en een adolescent. Van de volwassenen waren er twee, allebei vrouwen, ouder dan 40. De verhouding vrouw-man was 1:4,5. Deze ratio wijkt sterk af van de min of meer gelijke verdeling in reguliere begraafplaatsen uit die periode.

Kapotgeslagen kuiten

De meeste schedels vertonen fracturen die wijzen op bruut geweld. Die kapotte schedels lijken sterk op wat eerder is aangetroffen in Talheim en Asparn-Schletz.

De onderzoekers schrijven de fracturen toe aan als wapen gebruikte dissels. Het hoogste percentage schedeltrauma’s bevond zich aan de linkerslaap, wat wijst op een gevecht van man tegen man met slagwapens. Verder is 35 procent van de scheen- en liefst 55 procent van de kuitbeenderen gebroken. De onderbenen zijn kennelijk kapotgeslagen, misschien als een vorm van marteling of om ontsnapping te voorkomen. Maar niet is na te gaan of nog levende gevangenen zijn gemarteld of dat lijken zijn verminkt.

Behalve menselijke botten lagen er in de put ook scherven aardewerk, dierenbotten en kapot gereedschap. Het gaat niet om grafgiften, maar om afval. Verder zijn ook twee benen pijlpunten gevonden. De geringe afstand tot de botten wijst erop dat de pijlpunten in de lichamen hebben gezeten.

Het massagraf van Kilianstädten, concluderen de onderzoekers, wijst op een bloedbad. De leeftijdsverdeling van de slachtoffers duidt op een aanval waarbij een hele nederzetting werd uitgeroeid. Dat er geen jonge vrouwen onder de doden zijn, suggereert dat die gevangen zijn genomen door de belagers.