De echte slampamper is de Indiëganger, herstel dienstweigeraars in ere

Waar oorlogsmisdadigers vrijuit gingen, zijn weigeraars gestraft terwijl de geschiedenis aan hun kant staat. Schandalig, vindt Antoine Weijzen.

In de voorbije weken is er veel aandacht besteed aan de vraag of er al dan niet op structurele basis oorlogsmisdaden zijn gepleegd. Voor wetenschappers is dat eigenlijk allang geen vraag meer. Toch roept deze vraag bij de uitgezonden militairen nog steeds veel emoties op. Zij stellen zich graag voor als slachtoffers van een falende regering. Zij werden verplicht om te gaan en zij gingen. Vergeten wordt, dat er een keuze was, namelijk weigeren zich naar Nederlands – Indië te laten uitzenden.

Enige duizenden dienstplichtigen hebben geweigerd en zijn daar zwaar voor gestraft. In de discussies over Nederlands – Indië wordt aan dit onderwerp mijns inziens ten onrechte geen aandacht besteed, terwijl het veel zegt over de mentaliteit van de verantwoordelijke autoriteiten. In mijn boek Indië-weigeraars, vergeten slachtoffers van een koloniale oorlog, dat in de eerste week van september bij uitgeverij Omniboek in Utrecht verschijnt, besteed ik niet alleen aandacht aan de motieven van de weigeraars, maar onderzoek ik met name de vooringenomenheid, waarmee de militaire, juridische, medische en politieke autoriteiten deze weigeraars tegemoet traden.

Er was geen enkele sympathie voor de weigeraars. Voor het militaire kader waren het ‘slappelingen’, ‘lamstralen’ en kinderen die niet van moeders pappot weg konden. Weigeren dienst te doen was een frontale aanval op de geest van het leger: gehoorzaamheid. Daarom moest met de weigeraars korte metten gemaakt worden. Bij de keuring en de selectie van dienstplichtigen die uitgezonden zouden worden, werden de selectienormen versoepeld. Militaire artsen die de herkeuringen verrichten meldden ernstige fouten. Sommige suggereren, dat er als gevolg van die fouten wellicht militairen zijn gesneuveld.

Weigeraars werden afgeschilderd als geestelijk gestoord en moesten daarom door een psycholoog of psychiater onderzocht worden. In de dossiers van het Hoog Militair Gerechtshof zijn deze rapporten terug te vinden. De verschillende psychologen en psychiaters hadden ieder hun eigen opvattingen. Die pasten ze dan ook toe op elke weigeraar die ze onderzochten. De geoefende onderzoeker kon na het lezen van de eerste regels al vaststellen wie de behandelend psycholoog of psychiater was geweest. Patiënten waren onderling uitwisselbaar.

Datzelfde gold ook voor de advocaat Schuurmans Stekhoven die honderden weigeraars heeft verdedigd. Hij schreef een nota voor de berechting van weigeraars. Die nota diende in elke zaak als verweer. Menig weigeraar heeft deze advocaat nooit gesproken. Die vond dat ook niet nodig. De militaire rechtbanken waren wel te spreken over deze benadering. Het maakte het mogelijk om op een zittingsdag van vijf uur dertig zaken te behandelen. Uit de motivatie van de vonnissen blijkt de politieke agenda achter deze vonnissen.

Waar het niet mogelijk was de weigeraars af te schilderen als geestelijk gestoord, werden ze voorgesteld als onnozele kinderen die zich het hoofd op hol hadden laten brengen door communisten, de grote vijand van de vrije wereld. Op dit thema tamboereerden met name de geestelijke verzorgers in de kazerne in Schoonhoven, waar de weigeraars werden geconcentreerd.

Vrijwel nergens werd de weigeraar serieus genomen, als een persoon die na wikken en wegen tot zijn besluit is gekomen. In een enkel geval is de rechtbank onder de indruk van het betoog, dat een weigeraar ondanks druk om daar van af te zien hield.

Voor de meeste politiek partijen was het weigeren om naar Indië te gaan geen thema. De enige politieke partij die zich inspande voor de weigeraars was de CPN. Zij kaartte een aantal belangrijke thema’s aan zoals de vraag hoever de claim van de overheid op het leven van een burger kon gaan; was dat een absolute claim of een relatieve. Ze stelde het vraagstuk van de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van de militair aan de orde.

Tegen de achtergrond van de net beëindigde Tweede Wereldoorlog een relevant thema. Tenslotte stelde zij vragen bij de vrijheid van meningsuiting binnen de krijgsmacht. De CPN koos er voor deze vraagstukken op een uiterst provocerende manier te formuleren. De tegenstanders beperkten zich er enigszins gemakzuchtig toe de vorm van de boodschap en niet de boodschap zelf te bespreken. Daar kwam nog bij dat de CPN door haar steun aan de regering van de voormalige Sovjet-Unie niet de meest aangewezen partij was om deze onderwerpen ter sprake te brengen. Ook de reële dreiging met een verbod van de CPN deed de partij haar steun aan de weigeraars reduceren.

De belangrijkste tegenstander was de PvdA, die deel uitmaakte van de regering, die voor de koloniale politiek verantwoordelijk was. De volksvertegenwoordigers van deze partij gingen zelden de discussie aan, maar beperkten zich tot schelden en schimpen. Daarbij deden ze nauwelijks onder voor de CPN.

De liberalen lieten zich merkwaardigerwijs in deze voor liberalen relevante vraagstukken niet horen. Voor de verschillende christelijke partijen was de zaak duidelijk: het gezag dient gehoorzaamd te worden, niet meer en niet minder.

Waar de oorlogsmisdadigers vrijuit zijn gegaan, zijn de weigeraars zwaar gestraft. Er is – overigens tevergeefs – veel moeite gedaan om voorwaardelijke in vrijheidstelling en gratie aan de weigeraar te ontzeggen, terwijl het aan politieke gevangen zonder probleem werd verleend.

Wellicht is het tijd om eens na te denken over eerherstel voor de weigeraars. Hebben zij het gelijk van de geschiedenis niet aan hun kant?