Column

Daar heb je ze weer, die Serviërs

‘Een dweepzuchtige Servische melkbaard. Een sluipmoordenaar. Een opgeschoten krankzinnige jongen. Een in zichzelf gekeerd, zenuwachtig jongmens. Een abnormaal en geëxalteerd mens. Een gruwelijke moordenaar.” Dat zijn enkele kwalificaties uit de Nederlandstalige pers anno 1914 met betrekking tot Gavrilo Princip, de negentienjarige student die in Sarajevo de Oostenrijkse kroonprins doodschoot – en daarmee indirect de Eerste Wereldoorlog ontketende.

Jelica Novakovic, hoogleraar neerlandistiek in de Servische hoofdstad Belgrado, heeft de reeks persstemmen, ook uit Vlaanderen, boven water gehaald. De lijst loopt tot 2014, zonder dat het oordeel over Princip noemenswaardig positiever wordt. Ze leest ze alle voor, als „een gedicht”, zegt Novakovic. Het weekblad Knack noemde Princip vorig jaar nog „een Syriëstrijder avant la lettre”. Zulke kwalificaties doen hem onrecht, meent de Servische neerlandica.

De beweging Mlada Bosna (Jong Bosnië), uit naam waarvan Princip de kroonprins van bezettingsmacht Oostenrijk doodschoot, wordt te vaak en te gemakkelijk als ‘Servisch nationalistisch’ bestempeld. Deze clandestiene club bepleitte eerder de politieke eenheid der Zuid-Slaven – zoals die in 1918 verwezenlijkt werd in het land dat we Joegoslavië zijn gaan noemen. „En zonder nu geheel in Joego-nostalgie te vervallen”, zegt Novakovic, „als ik in die tijd geboren was, op die plek, was ik ook een Jong-Bosniër geweest.”

Er is iets vreemds met sympathie voor Servië in Nederland: die draagt een beetje het karakter van guilty pleasure. Er was altijd al weinig van die sympathie – Nederlands kosmopolitisme richt zich meestal op andere streken dan de Balkan. ‘Srebrenica’, de Kosovo-oorlog en andere recente episoden hebben de zaak geen goed gedaan. Het beeld van de Servische natie in Nederland lijkt op dat van Griekenland, ook een Balkanland: een jonge natiestaat, waar nationale trots, geschiedenis en geweld zo’n grote rol spelen dat het voor een Nederlander exotisch wordt. Maar waar in Griekenland azuren zee en ander natuurschoon veel goedmaken, ontbeert Servië zulke toeristische trekpleisters. De Servofiel moet het voornamelijk van de stad Belgrado hebben, en van die mentaliteit van trots en hardnekkigheid, die al in de Negentiende Eeuw overal in Europa zijn bewonderaars vond.

Bewonderaars zoals ik zijn er vanavond, als Novakovic in Amsterdam met co-auteur Sven Peeters haar boek Wat kwam er uit een schot? presenteert, over honderd jaar beeldvorming in de Nederlandse pers rondom de aanslag van 1914. Slavistiek-boekhandel Pegasus is berstensvol. Dat boek is wat chaotisch uitgevallen, maar alle Nederlandstalige Servofielen uit het verleden staan er in: van bekende als de schrijver A. den Doolaard, tot minder bekende als Arius van Tienhoven, die in 1915 als vrijwillig oorlogschirurg naar Servië afreisde en de Oostenrijks-Hongaarse oorlogsmisdaden tegen de kleine Balkanstaat aan de kaak stelde.

„Er zal wel gedacht worden: daar heb je ze weer, die Serviërs”, zegt Novakovic, een voorschot nemend op kritiek die vanavond onverwoord blijft. „Maar men moet een beetje blijven geloven in de vooruitgang.”