Als je van hout bent, steken ze je in brand

Een romanschrijver moet zich in de geest van zijn personages nestelen en er vervolgens mee op de loop gaan, vindt T.C. Boyle, de grote schilder van de unsung heroes. In zijn nieuwe, verbluffende roman wint de ernst het van de satire.

Illustratie Gijs Kast

Als het om klassieke Amerikaanse geschiedenis gaat, denk je aan helden als Franklin, Washington, Davy Crockett, Sitting Bull, Henry Ford, Rosa Parks. Hun succesverhalen zijn bekend, vaak verteld en door de jaren heen een beetje sleets geworden. Geen goede onderwerpen voor een roman, vindt de Californische schrijver T.C. Boyle, die bij voorkeur vrij omspringt met de geschiedenis en veel van zijn romans ‘historische fuga’s’ noemt.

„De geschiedenis is niet in beton gezet door God”, zei hij halverwege zijn carrière in deze krant. „Het is de taak van de romanschrijver om zich in de geest van zijn personages te nestelen, en er vervolgens mee op de loop te gaan.”

Boyle houdt van unsung heroes als Stanley McCormick, een van de eerste Amerikaanse psychiaters (Riven Rock, 1998), en Alfred Kinsey, de samensteller van het Kinsey Report (The Inner Circle, 2004). Hij raakt geïnspireerd door 17de-eeuwse kolonisten, 19de-eeuwse utopisten, vroeg 20ste-eeuwse gezondheidsgoeroes. Zelfs in zijn contemporaine romans maken onbekende historische grootheden hun opwachting. Ik had tenminste nog nooit gehoord van de pelsjager John Colter, die aan het begin van de 19de eeuw deelnam aan de verkenningsexpeditie van Lewis en Clark en daarna de eerste blanke was die de wildernis van Wyoming en Montana betrad. In de prille Verenigde Staten werd hij een levende legende door ‘Colter’s run’, zijn wonderbaarlijke ontsnapping in adamskostuum aan een posse van bloeddorstige Zwartvoetindianen.

De ‘mountain man’ Colter is het grote voorbeeld van de twintiger Adam Stensen, een van de hoofdpersonen van Boyles verbluffende vijftiende roman The Harder They Come. Adam, de ontspoorde zoon van een Vietnamveteraan, probeert zich min of meer selfsupporting staande te houden in de bossen rond Mendocino, in Californië, maar radicaliseert in een hoog tempo wanneer hij uit de blokhut van zijn grootmoeder wordt gezet. Hij is een typisch Boyle-personage: onberekenbaar, gewelddadig, sociopathisch, drugsverslaafd en op den duur zo gek als een deur. We volgen zijn afdaling in de hel, maar zijn verhaal is verweven met dat van twee andere personages: zijn vader Sten, een gepensioneerde middelbare-schoolrector met een verleden als marinier; en zijn vriendin Sara, een hoefsmid van veertig die er ten minste zulke vreemde ideeën op nahoudt als Adam.

Politieagent

Terwijl Adam ervan overtuigd is dat Amerika wordt overgenomen door Chinese ‘hostiles’ die zich in talloze gedaanten kunnen presenteren (als politieagent, als eerzame burger, zelfs als dier in het woud), is Sara een aanhanger van de ‘Redemption Theory’, een reëel bestaand geloof in de fundamentele slechtheid van de overheid, die ‘sjoemelde met geboortebewijzen zodat ze iedere op Amerikaanse bodem geboren baby konden gebruiken als onderpand voor leningen die de Federal Reserve aan de overheid verstrekte nadat zij de goudstandaard had losgelaten’. Redemptionisten proberen geen belasting te betalen en accepteren de jurisdictie van de overheid niet. Sara zegt voortdurend dat zij ‘geen contract’ heeft met de staat Californië. De reggaesong van Jimmy Cliff waaraan Boyles roman zijn titel ontleent, ‘The Harder They Come, The Harder They Fall’, is haar op het lijf geschreven: ‘I’d rather be a free man in my grave/ Than living like a puppet or a slave’.

Sara’s weerspannigheid zet de plot van The Harder They Come in gang. Als zij door de politie van de weg wordt gehaald omdat ze weigert haar autogordel om te doen en haar hond Kutya wordt geconfisqueerd omdat die een agent heeft gebeten, besluit ze het dier met geweld terug te halen uit het asiel waar het in quarantaine is geplaatst. Adam, die ze van vroeger kent en die ze toevallig tegenkomt, helpt haar daarbij, waarna ze samen naar Adams huis in de bossen vluchten. Daar verliest Sara al snel de greep op de gestoorde jongen, die wil leven als een survivalist maar flipt wanneer zijn ouders de hut verkopen waar hij al een paar jaar in woont. Dolend door de bossen gijzelt hij een oude vrouw en schiet hij twee mensen neer, waardoor hij een jacht op zichzelf ontketent die alleen maar fout kan aflopen.

Boyle bespot het paranoïde gedachtegoed van de extreemrechtse sektes die zich vooral thuis voelen in het berg- en bosachtige gebied van het Amerikaanse noordwesten. Maar satire is in The Harder They Come bijzaak, anders dan in The Road to Wellville (1993), waarin Boyle de Amerikaanse gezondheidsmanie op de hak nam, of Drop City (2003), waarin een hippiecommune het moest ontgelden. Dit boek draait om geweld; een thema dat in bijna al Boyles romans terugkomt maar dat het overtuigendst werd uitgewerkt in zijn PEN/Faulkner Award-winnende epos World’s End (1988), dat beschrijft hoe geweld van generatie op generatie – als een eeuwenoude vloek – wordt doorgegeven.

Ook in The Harder They Come (door Anne Jongeling vertaald als Wie storm zaait, alsof Wie wind zaait niet al sterk genoeg was) staat het geweld van de hoofdpersoon niet op zichzelf. Natuurlijk, Adams geest is vergiftigd door drugs en rare ideeën, maar Boyle maakt duidelijk dat er iets is in de Amerikaanse cultuur dat ook jongens uit de gegoede middenklasse naar het paramilitaire leven drijft. Niet voor niets koos hij als motto voor de roman een citaat uit D.H. Lawrence’ verkenning van de Amerikaanse psyche Studies in Classic American Literature: ‘In wezen is de Amerikaanse ziel hard, gesloten, stoïcijns, dodelijk. En nog steeds niet milder geworden.’ Noem het de vervloekte erfenis van stoere pioniers als John Colter, voor wie het ideaal van self-reliance al snel omsloeg in ‘kom me niet te na’.

Bovendien lijkt het geweld in Adams geval van vader op zoon overgedragen. In de lange, razend spannend gestileerde proloog lezen we hoe vader en moeder Stensen tijdens een pensionadocruise aanmeren in Costa Rica en een groepsuitstapje naar het binnenland maken. Aangekomen op hun bestemming worden ze onder bedreiging van een pistool beroofd door drie jonge locals, totdat Sten erin slaagt de gewapende boef in een wurggreep te nemen en met zijn blote handen te doden. Een militaire opleiding verloochent zich niet, maar Sten voelt zich er ongemakkelijk bij, en al helemaal wanneer hij terug in de States gevierd wordt als grote held. Niemand, ook de Costaricaanse overheid niet, geeft een zier om de gedode jongen.

Stens gedachten komen tot ons door middel van afwisselend geestige en geprangde innerlijke monologen. Ook Adam en Sara worden op deze manier gekenschetst; hun verhalen wisselen elkaar af, zodat het perspectief telkens anders is. Die vorm is al sinds zijn romandebuut uit 1982 een van Boyles specialiteiten, maar anders dan in sommige van zijn andere romans slaagt hij erin om van zijn personages ook round characters te maken. Met de tegelijkertijd moederlijke en meisjesachtige Sara sympathiseer je ondanks haar krankzinnige ideeën; je hebt met Sten te doen als hij worstelt met zijn houding tegenover zijn redeloze zoon; en zelfs Adam gun je niet het einde dat Boyle voor hem in petto heeft. De vader-zoonverhouding tussen Sten en Adam is ook veel minder karikaturaal dan bijvoorbeeld die tussen Dr Kellogg en zijn boosaardige adoptiefzoon in The Road to Welville.

Licht-verteerbare zinnen

Boyle houdt nog steeds van lange maar licht-verteerbare zinnen, die soms wel een derde bladzij beslaan en die door zijn vertalers vaak noodgedwongen in stukjes worden gehakt; van humoristische persoonsbeschrijvingen, die getuigen van mededogen en vriendelijke spot; van goed getimede spreektaaldialogen en originele, sterke vergelijkingen. Stilistisch zoekt hij het midden tussen de barok van Tom Wolfe en het neo-dickensiaanse proza van John Irving, van wie hij nog les heeft gehad toen hij na een ongelukkige jeugd en een drankovergoten adolescentie toegelaten was op de Iowa Writers Workshop. En het is zijn duik in de overstuurde geest van Adam die de beste alinea’s oplevert. Dit is Adam als hij met een kater in de regen wakker wordt: ‘Feeling like crap. Or no, warmed-over crap, crap that wasn’t even fresh but just heated up in a pan and served to all the shit-eaters of the world in some alien soup kitchen.’ (Vrij vertaald door Jongeling als: ‘Kotsmisselijk. Zo misselijk als de dakloze zatlappen die zodra ze buiten stonden de gore grijze prak uit de gaarkeukens weer uitkotsten.’)

En dit is Adam in zijn laatste minuten: ‘Zo ging het. Zo ging het altijd. Zo verging het iedereen op deze planeet. Als je van hout was gemaakt, zetten ze je in brand. Als je van staal was, gooiden ze water over je heen tot je wegroestte [...] Er was gewoon geen uitweg, maar dat was ook niet erg. Je moest gewoon snoeihard gehard zijn, je moest je eigen legende creëren en de dingen op hun beloop laten.’

Boyles zinnen hebben een superieure cadans die samen met de spannende plot vele van zijn romans tot pageturners maakt. Maar zeg niet dat zijn boeken filmisch zijn. Toen ik dat deed, in een interview twintig jaar geleden, antwoordde hij quasi-bestraffend: „Literatuur is een sterk medium, veel spectaculairder dan film; een boek bestaat pas op het moment dat de lezer het pakt en er zijn eigen versie van maakt. Om zoveel mogelijk mensen die ervaring te geven, moet je romans schrijven zoals Dickens en Márquez: boeken waarop serieuze critici hun tanden kunnen stukbijten, maar die ook gelezen kunnen worden door tv-verslaafde couch potatoes. Eén ding heb je daar in ieder geval voor nodig: een goed verhaal.”

Boyle vergat destijds het een en ander, want eigenlijk heb je drie dingen nodig: een goed verhaal, overtuigende personages en een tot lezen dwingende stijl. In The Harder They Come komen ze alle drie bij elkaar, alsof de geest van Dickens en García Márquez er vaardig over was.