Wat is het nut van poëzie?

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz geeft iedere donderdag een cursus in nrc.next. Vandaag: vier praktische voordelen van poëzie.

Illusratie Jenna Arts Illustratie Jenna ARts

Familiefeestje, oom Karel: ‘Zeg Ellen, nog even over poëzie, wat is nou eigenlijk...’, ik, juichend: „Het NUT, oom Karel? Fantastische vraag (oom Karel, zacht tegensputterend: ‘Maar dat is helemaal niet wat ik...’), wat dapper van je om hem te stellen, je komt toch snel over als een cultuurbarbaar wanneer je vraagt naar het nut van kunst!” (Belerend geknik van de hele familie tegen een inmiddels ineengeschrompelde oom Karel.)

Poëzie is op verschillende manieren nuttig. In de laatste Mission: Impossible vormt een gedicht van Rudyard Kipling de toegangscode tot tientallen miljarden euro’s. In het echt is poëzie bijna even bruikbaar. Een gedicht kan gevoelens losmaken en vormt met Sinterklaas een fijne jaaropgaaf van al je zonden.

Aan de andere kant hoeft poëzie natuurlijk helemaal niet nuttig te zijn. Je kan iets ook gewoon waarderen omdat het mooi is. Ik heb, als ik drijfnat in bed lig, meer aan mijn loodgieter dan aan de mooie regels ‘de man die met slakken vecht/kruipt slijtend over straat’ van Floor Buschenhenke, maar dat neemt niet weg dat iets moois al nuttig is, omdat het mooi is.

Maar schoonheid, gevoel en reflectie zijn niet alleen kenmerken van poëzie, maar ook van andere kunstuitingen zoals muziek, dans en korfbal. Vroeger was het duidelijker wat het specifieke nut was van poëzie; verhandelingen over recht, religie en geschiedenis werden in dichtvorm opgesteld omdat deze door het ritme en rijm makkelijker te onthouden waren. Toen de geletterdheid toenam, werd de poëzie een voorloper van wat nu de protestcolumn is. Vondel schreef woedend over de executie van Johan van Oldenbarnevelt in Het Stockske, en de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker ageerde in het gedicht Die Kind tegen de Apartheid. Laten we bovendien het leerdicht niet vergeten, dat tot in de negentiende eeuw grote populariteit genoot en ons leerde dat als je je kinderen liefhebt, je op ze in moet beuken.

Ik denk dat poëzie tegenwoordig vier verschillende vormen van nut heeft. Allereerst als interieurdesign. Duizenden mensen hebben een poster, kussensloop of raamsticker met een gedicht erop. Bij de Blokker kan je dienbladen kopen met teksten als: „We may not have it all together/but together we have it all.”

Ten tweede zorgt de dichtkunst voor het nodige vermaak. Bij DWDD vat Nico Dijkshoorn de uitzending poëtisch samen en maakt daarbij flink gebruik van literaire technieken als metaforen en hyperbolen. Evenementen waar poëzie wordt voorgedragen, zoals het NK Poetry Slam en het Tuinfeest, zijn druk bezocht. Poëzie ontspant, en is tegenwoordig een vorm van entertainment.

De derde functie van gedichten ligt iets minder voor de hand: poëzie maakt je scherper. De meeste mensen, inclusief ondergetekende, begrijpen een gedicht pas na een paar keer lezen. Je weet dat het gedicht iets communiceert, maar het is soms even zoeken, puzzelen en inleven voor de contouren zichtbaar worden. Daardoor kan poëzie je oefenen in het buiten-de-box denken. Ik gebruik daarvoor altijd de jaarlijkse poëziebloemlezing van het VSB-fonds. Deze enorm afwisselende verzameling gedichten maakt dat je telkens verschillende manieren van begrip moet inzetten. Het ene gedicht slaat aan door het te lezen als een verhaaltje, het ander als een reeks impressies, een derde is alleen begrijpelijk wanneer je ervan uitgaat dat de dichter in het vers de grenzen van taal wilde laten zien. Een gedicht kan een mentale sudoku zijn. Het lezen van oudere poëzie, uit andere culturen, kan voor onverwachte inzichten zorgen, zoals bij de haiku’s van de 17e-eeuwse Japanse dichter Yosa Buson: ‘De grootse priester/ kakt verheven in het/ bleke winterveld’.

Goed. Gedichten worden tegenwoordig dus gebruikt omdat ze leuk in je huis staan, ze vermaken en ze bijna even goed voor je hersens zijn als visolie. Maar anno 2015 is het grootste voordeel van de poëzie dat ze een teletijdmachine is. Laat me het uitleggen.

We hebben het tegenwoordig zo druk dat de dagen omvliegen. Bij nieuwe indrukken, zoals op een eerste vakantiedag, merk je plots dat de tijd eindeloos traag verstrijkt. Poëzie kan je een nieuwe blik op de wereld tonen, en daardoor een vergelijkbaar vakantiegevoel en bijbehorende tijdsbeleving bezorgen. In het gedicht Regen van J.H. Leopold wordt er op een regendruppel ingezoomd: ‘schitterzon, wereld en ruim heelal:/ het is bevat in dit klein trilkristal.’ Hier wordt het alledaagse bijzonder gemaakt, net zoals in de poëzie van Rodaan Al Galidi: ‘He regen,/ waarom val je hier?/ Ben je blind, egoïstisch, ben je gek?/ Waarom open je hier paraplu’s/ als je daar bloemen kan openen?’ Opeens sta je stil bij regendruppels en haar effecten, en je voelt de tijd afremmen.

Ook het ritme van een gedicht kan de tijd anders doen verlopen. Mijn hartslag versnelt als ik gedichten van Walt Whitman lees: ‘Ik vier mezelf en zing mezelf/ en wat ik aanneem, zal jij aannemen/ want ieder atoom dat bij mij hoort, hoort evengoed bij jou!’. Mijn hartslag vertraagt wanneer ik de extreem korte, verstilde regels van Jan Arends tot me neem: ‘Er zullen/ witte dieren/ door het veld/ gaan lopen/ en dat/ zal alles zijn.’ Het doet iets met je hoofd, om het maar met Spinvis te zeggen.

Poëzie kan je waarneming van tijd en ruimte beïnvloeden. Laten we het voortaan dus niet meer hebben over relativiteitstheorie, maar over relativiteitspoëzie. Deal? Lees dan nu het gedicht van Craig Arnold hiernaast en geniet van de tijd die het je oplevert. Eat this, Einstein!