Symboolkunst biedt troost

De Colombiaanse kunstenaar Doris Salcedo toont in New York haar symbolische beelden.

Doris Salcedo, Atrabiliarios, 1992-2004. Collectie San Fransisco Museum of Modern Art.

Alsof je over een slagveld loopt. Wie op de grote Doris Salcedo-tentoonstelling in het Guggenheim New York besluit de muurteksten te gaan lezen, slaat de schrik om het hart. Hierover gaat Salcedo’s werk, volgens de bordjes. Vermoorde Colombianen op het platteland. Een massamoord in Honduras. Kinderen die hun ouders vermoord hebben zien worden. Amerikaanse moeders die hun kinderen verloren bij wapengeweld. Een Colombiaanse verpleegster die werd doodgemarteld. En nog meer. En meer.

Maar dat zie je dus niet. Of beter: niet meteen.

Neem de grote installatie Plegaria Muda (2008-’10), de tentoonstellingsopener, die volgens de tekst een klaaglied vormt ‘van mensen die zijn gestorven in bendegeweld in de Verenigde Staten en boeren uit Colombia die door de militairen werden vermoord en later als guerrillastrijders werden afgeschilderd’. Het werk bestaat uit tientallen sobere, langwerpige houten tafels, waarop eerst een dikke laag aarde ligt en daarop weer een soortgelijke tafel, maar dan met zijn poten omhoog. Uit de bladen van die tafels steken dunne, fiere grassprieten, die met moeite uit het hout omhoog priemen. Het is een installatie die onmiskenbaar indruk maakt, door de combinatie van materialen (hout, aarde, gras), maar vooral (en daar wordt het lastig) door de ingenieuze combinatie van symbolen. De tafels hebben bijvoorbeeld precies het formaat van een graf.

Dan zijn er de omkeringen: normaal ligt aarde óp een graf, nu ligt het tússen de planken en groeit er gras uit hout – of spruit dat toch uit de aarde eronder? Dood en wederopstanding, tonen en verbergen, stollen en bewegen: het zit er allemaal in, de manier waarop Salcedo (1958) de ideeën combineert en de associaties over elkaar heen laat buitelen is bijzonder, maar toch riep het werk een ongemakkelijk gevoel bij me op. Als je zulke grote onderwerpen neemt, gebeurtenissen die zo radicaal hebben ingegrepen in de levens van concrete mensen, mag je die dan als aanleiding gebruiken om kunstwerken van te maken? Is het niet op de grens van onethisch om de concrete slachtoffers, vaders, moeder, kinderen te laten opgaan in artistieke symboliek? Je zou kunnen denken dat Salcedo daarmee een hoger doel van herdenken of verwerken dient, maar ook stellen dat ze de slachtoffers in zekere zin een tweede keer laat verdwijnen: de eerste keer voor een politiek of machtswellustig ideaal, nu voor de kunst. Of is dat juist de rol van kunst: aan zulke concrete pijnlijke, afzonderlijke gevallen een hogere, symbolische lading te geven?

Ik weet het niet.

Wat je er ook van vindt, Salcedo’s werk raakt onmiskenbaar aan een van de grote artistieke thema’s van deze tijd: de poging de kloof tussen de kunst- en de echte wereld te overbruggen. Tegelijk stelt Salcedo’s expositie in een topmuseum een ander dilemma aan de orde: het feit dat de traditionele westerse normen die binnen de kunst al eeuwen heersen, steeds verder onder vuur komen te liggen. Door de toenemende mondialisering worden vormen en tradities die weinig met het westerse modernisme te maken (willen) hebben steeds belangrijker – en dat hebben ‘wij’ maar te slikken. De westerse, vaak calvinistische, kunsttraditie heeft de afgelopen eeuw gretig geprobeerd symboliek door een zijdeur af te voeren, maar kunstenaars als Salcedo laten zien dat ze via andere (katholieker georiënteerde) tradities weer terugkeert – en ongetwijfeld steeds belangrijker wordt. Wie met een traditionele calvinistische blik naar het werk van Salcedo kijkt, loopt regelmatig vast en ziet in het Guggenheim soms beelden die wel erg veel op kitsch lijken. Neem een werk als Atrabiliarios (1992-2004) waarvoor Salcedo de vier wanden van een witte tentoonstellingszaal van kleine nissen voorzag en in elke nis een paar meisjesschoenen rechtop neerzette. Vervolgens werd iedere nis met dierenhuid overspannen en werd deze huid met zwart draad aan de wand ‘vastgestikt’. Ik kan er bijna niet naar kijken zo nadrukkelijk, zo kitscherig voelt de symbolenstapeling: jeugd, vrouwelijkheid, geloof, verloren onschuld, het zit er allemaal zo zwaar in dat je naar adem begint te happen.

Met haar werk wil Salcedo een brug slaan tussen de wereld van het geweld en het verdriet en die van de kunst – en daarbij vormt juist symboliek de belangrijkste drager. Symboliek biedt zowel troost als lucht. Doordat het niet op een persoon is terug te voeren, gaan Salcedo’s symbolisch geladen beelden automatisch over algemenere emoties als verlies en onmacht – wat wil je nog meer? Een wandeling door Salcedo’s expositie voelt als een tocht over een begraafplaats of een wandeling langs een serie monumenten: haar werken willen de onbenoembare, onbeheersbare emoties niet alleen tonen, maar er ook een antwoord op geven, tegenwicht bieden. Dat is een rol van beeldende kunst die we in Noord-Europa de afgelopen eeuw bijna waren vergeten, maar een expositie als deze bevestigt dat we er maar beter aan kunnen gaan wennen. Hedendaagse kunst als verzoener, als heler – via andere culturen komt die functie als een boemerang bij ons terug.