Onmisbare kennis van Palmyra kostte hem zijn leven

Khaled al-Asaad

Syrische archeoloog

Wijdde 50 jaar aan de oudheden van Palmyra en is nu onthoofd door IS.

Meer dan vijftig jaar zorgde Khaled al-Asaad (83) voor de oudheden in zijn geboorteplaats Palmyra, ‘Stad van Duizend Zuilen’. Zijn liefde voor de stad was zo groot dat hij een van zijn dochters vernoemde naar Zenobia, de koningin van Palmyra. De prominente archeoloog Al-Asaad hielp tot zijn pensioen in 2003 internationale onderzoekers bij hun werk en heeft wetenschappelijke artikelen op zijn naam staan over de 2.000 jaar oude ruïnes.

Dinsdag werd Al-Asaad door de Islamitische Staat (IS) voor het oog van tientallen toeschouwers onthoofd op het centrale plein van het historische gedeelte van Palmyra, bekend om zijn Unesco-werelderfgoed. Op sociale media verscheen een foto van zijn onthoofde lichaam, aan de handen opgehangen aan een paal. Om zijn benen is een bord gebonden met zijn ‘vonnis’: er staat op dat Al-Asaad loyaal was aan het Syrische regime en contacten onderhield met hoge veiligheidsfunctionarissen.

Verstopte kunst

Al-Asaad werd een maand lang door IS-strijders vastgehouden, voordat hij werd onthoofd. Hij weigerde informatie te geven over waar waardevolle kunstvoorwerpen zich bevonden, schrijft de Britse krant The Guardian. IS handelt fanatiek in kunstvoorwerpen om hun zelfverklaarde kalifaat en de uitbreiding daarvan te financieren.

Mr. Palmyra

„Moet je je voorstellen dat een archeoloog met zulk memorabel werk over een plaats (Palmyra, red.) en over de geschiedenis onthoofd wordt”, zegt directeur Oudheden en Musea van het Syrische ministerie van Cultuur Maamoun Abdulkarim tegen internationale media. „Hij was een van de belangrijkste pioniers in de Syrische archeologie in de twintigste eeuw.” Al-Asaad ontdekte meerdere oude begraafplaatsen, grotten en een Byzantijnse begraafplaats, op de plek waar nu de tuin van het Palmyra museum is. Amr al-Azm, een Syrische hoogleraar in Midden-Oosterse geschiedenis, noemt Al-Asaad „Mr. Palmyra” op radiostation PRI en beschrijft de archeoloog als „onvervangbaar”. Ook zou Al-Asaad betrokken zijn geweest bij de evacuatie van oudheden en de restauratie van eerdere oorlogsschade. „Je kunt niet over Palmyra schrijven zonder Al-Asaad te noemen”, roemt Al-Azm. „Hij kende alle hoeken en gaten. Hij leefde misschien in Palmyra met het idee er ook te sterven. En dat is helaas gebeurd, vreselijk.”

Toen Al-Asaad moeilijker ter been was, woonde hij dichtbij de ruïnes zodat hij die vanuit zijn huis kon zien. „Het was zijn leven”, vertelt de neef van Al-Asaad met trillende stem aan persbureau AP. De neef, die zichzelf Khaled al-Homsi noemt, is een oppositieactivist die tot de executie van Al-Asaad in Palmyra woonde. Toen een IS-strijder een mes trok op het plein in Palmyra, kon Al-Homsi het niet meer aanzien en is hij de stad ontvlucht.

Toen IS Palmyra in mei veroverde op het Syrische leger, was een groot deel van de bevolking al gevlucht. De 83-jarige archeoloog bleef bij zijn oudheden in Palmyra. Mohammed, de zoon van Al-Asaad, zei tegen The New York Times: „Hij was onschuldig en dacht dat IS hem als oude man wel met rust zou laten.”