Jij bent hier alleen voor het verhaal, ik heb echte problemen

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Hij doet er dagelijks verslag van.

De nacht nadat Oezbeekse artsen mijn hotelkamer hadden omgebouwd tot een geïmproviseerde ziekenhuiskamer, inclusief infuus, droomde ik over mijn moeder. Ze was tot mijn verbazing terug op aarde, maar zelf vond ze dat normaal.

De arts had mij opgedragen 24 uur op thee, water, honing en antibiotica te leven. Reisgenoot Qader wil doorrijden naar Doesjanbe, ik weiger.

„Jij bent hier alleen voor het verhaal”, zegt hij, „maar ik heb echte problemen. Ik moet de auto verkopen, ik heb mijn moeder in Kabul, een gezin in Nederland.”

Ik beschouw mijn gezondheid als een probleem, bovendien is ook Qader ziek, hij heeft koorts en is in de afgelopen twee weken zeker vijf jaar ouder geworden. Het lijkt alsof voor hem de reis terug naar Afghanistan als Nederlander een soort nieuwe vlucht is geworden, al was het maar vanwege de haast.

Hij zegt: „Als ik goede dingen doe, ben ik een Afghaan. Als ik slechte dingen doe, ben ik een Nederlander.” Het vaakst begint hij zijn zinnen met: „Wij vluchtelingen.” Alsof je altijd blijft vluchten als je er eenmaal mee bent begonnen.

Levend op medicijnen, thee en honing lopen we over de markt van Tasjkent. Een vrouw van een jaar of zestig heeft op een kleedje keukengerei uitgestald die uit haar eigen keuken afkomstig lijkt te zijn. Een rasp, een notenkraker, een kaasmes.

Ze blijkt ingenieur, koude metaalbewerking is haar specialiteit. Ze is Russin. Op de vraag hoe de zaken gaan antwoordt ze: „Slecht, maar het gaat overal slecht.”

Ik ben benieuwd of ze kinderen heeft. „Dat willen de Oezbeken ook altijd weten”, antwoordt ze. „Daar wil ik niets over zeggen.”

We laten haar alleen.

„Overal zijn verhalen”, zegt Qader, „maar jij zat in de auto te slapen of te sms’en met je vriendinnen.”

Het zal wennen zijn straks zonder Qader te leven en ik vraag me af of het goed is de levens van anderen zo diep en zo tijdelijk binnen te dringen. Drie weken alsof je altijd samen zult blijven, en dan?

De Oezbeekse hoofdstad is groen. Veel gebouwen lijken uit de tijd van de Sovjet-Unie te stammen.

In de avond keert de ziekte terug.

Ik bel Qader, die een paar kamers verderop verblijft. „Denk je dat ik het ochtendgloren haal?”, informeer ik.

„Allah laat je de hemelpoort niet binnen met diarree”, antwoordt hij.

Wordt vervolgd