Column

Frank en Amy

In korte tijd zag ik twee lange muziekdocumentaires: over Frank Sinatra (op tv) en over Amy Winehouse (in een voor een doordeweekse dag opvallend volle bioscoop). Twee artiesten die sterk van elkaar verschilden, maar toch enkele belangrijke overeenkomsten hadden: het soort wereldroem dat bijna ondraaglijke proporties aanneemt, en de liefde voor jazz.

Hun leven werd in zekere zin bepaald door de excessieve aandacht van de media. In de documentaire Amy zien we hoe de media jacht maken op een weerloze vrouw, vernietigd door haar eigen fouten, zoals de keuze voor drugs en verkeerde vriendjes – vooral echtgenoot Blake Fielder-Civil die haar de afgrond van zijn eigen verslaving in sleurt.

Het essentiële verschil tussen Sinatra en Winehouse is dat hij de druk van de roem wél overleefde en zij niet – net zomin als zoveel andere popartiesten die haar, in het kielzog van Elvis Presley, voorgingen. Wat redde Sinatra en waar ging het definitief fout bij die anderen? Ik moet nu even psychologiseren.

Sinatra was een ijzersterke persoonlijkheid. Arrangeur Nelson Riddle met wie Sinatra bij Capitol zijn beste werk maakte, zei over hem: „Hij was nooit een relaxte man, zoals Nat Cole, hij was een perfectionist die zichzelf en iedereen om hem heen meedogenloos opjoeg.”

Sinatra hield van een borrel, maar zijn enige échte verslaving bestond uit vrouwen, wat lastig kan zijn, maar niet fataal hoeft te worden. Sinatra was, net als Presley en Winehouse, al op jonge leeftijd beroemd en ook hij belandde later in een ernstige crisis waarin zijn populariteit snel verdampte. Hij vocht zich terug naar de top door in een cruciale fase de juiste keuzes te maken: voor een rol in een goede speelfilm (From Here to Eternity) en voor muziekarrangeurs (Billy May en Nelson Riddle) die zijn muziek nieuw elan gaven.

Op artistiek en zakelijk gebied wist Sinatra precies wat hij wilde. In zijn privéleven was hij roekelozer, zeker in zijn omgang met de maffia, maar hij hield altijd een scherp oog voor zijn eigen belang. Sinatra kwam kranig op voor de zwarte bevolking, maar toen zijn beschermeling Sammy Davis jr. door president Kennedy geweigerd werd op diens inauguratiegala (Kennedy zou bezwaren hebben gehad tegen de aanwezigheid van Davis met zijn blanke vriendin), liet ook hij Davis vallen. De eervolle relatie met Kennedy was hem dierbaarder.

Vergelijk dat eens met Presley en Winehouse. De pillen, de drugs en de drank braken hun toch al bescheiden wil; het was alsof ze nooit voldoende in zichzelf hadden geloofd. Presley liet zich overheersen door zijn manager, ‘Colonel’ Parker, een profiteur die niet eens van zijn muziek hield. En Amy leunde te lang op een cynische junk en een onnozele vader die ook zijn graantje wilde meepikken.

Het contrast met Sinatra is interessant, maar ik wil er niet mee zeggen dat zulke levenslange carrières in de popmuziek onmogelijk zijn: zie Paul McCartney en Bob Dylan. Ook Dylan dreigde even vermorzeld te worden door de roem. Hij trok zich lange tijd terug uit de openbaarheid en keerde herboren terug. Het kwam door een motorongeluk, werd later gezegd, maar ik geloof eerder dat hij een alibi nodig had om aan de allesverterende aandacht voor zijn persoon te ontsnappen.

Hij wist wat hij nodig had. Amy niet. Die zong liever: „They tried to make me go to rehab but I said: ‘No, no, no.’”