De Lijstjeslawine: zeven boeken over schip en zee

De Stad Amsterdam voert als vlaggenschip de parade aan in de haven van IJmuiden. Foto ANP / Olaf Kraak

In een wekelijkse webserie over boeken die met de actualiteit in verband gebracht kunnen worden, deze week zeven boeken over schip en zee naar aanleiding van de start van het nautische evenement Sail.

Allard Schröder: De hydrograaf (2002)

Schermafbeelding 2015-08-20 om 12.28.39
De hydrograaf, dat in het jaar van verschijnen de AKO Literatuurprijs ontving, gaat over Franz von Karsch-Kurwitz uit Pommeren, die begin twintigste eeuw in Hamburg op een schip stapt naar Valparaiso voor onderzoek naar de zeevaart. Het onderzoek is een soort vlucht voor de moeilijke periode die de graaf meemaakt.

Aan boord maakt hij onder andere kennis met gymnasiumleraar Totleben en de salpeterhandelaar Amilcar Moser. De ontmoetingen zijn botsingen tussen oude en nieuwe wereldbeelden met op de achtergrond de naderende wereldoorlog. De graaf komt in een web van verwikkelingen en verliest zijn belangstelling voor het onderzoek.

De hydrograaf is geen historische roman, maar een verhaal over mensen die zich misplaatst voelen in het bestaan en als gevangenen van de dood door het leven gaan. Het is een klein verhaal over een ongelukkige ‘rite de passage’, een mislukte ontsnapping van een benarde ziel uit zijn zelfgebouwde kerker. Maar al gebeurt er niet veel, klein is toch niet het goede woord, gegeven de weidsheid van de thematiek en de vervoerende taal. Taal waarin Schröder af en toe lijkt te zwelgen, zonder echter zijn zelfbeheersing te verliezen. Zijn zorgvuldig geformuleerde zinnen zijn stuk voor stuk beladen met betekenis en nooit eenduidig.

Louis-Ferdinand Céline: Dood op krediet (1936)

Schermafbeelding 2015-08-20 om 12.29.47
Hoewel je Céline nu niet meteen als een schrijver van nautische verhalen of romans kunt typeren, spelen beschrijvingen van boottochten toch een belangrijke rol in zijn bekendste romans, Reis naar het einde van de nacht en Dood op krediet. In het eerste boek doet Céline uitvoerig verslag van de tocht die zijn hoofdpersonage Bardamu moet maken om in Kameroen te geraken, destijds (Reis naar het einde van de nacht speelt in en vlak na de Eerste Wereldoorlog) nog een kolonie van Frankrijk. Bardamu raakt in het nauw als de dronken, dolgedraaide medepassagiers van het schip hem van van alles en nog wat gaan verdenken. “Enige tijd na de Canarische eilanden hoorde ik van een hutjongen dat ze ’t er allemaal over eens waren dat ik een aansteller was, om niet te zeggen brutale vlegel… Ze dachten dat ik een pooier was en tegelijkertijd een flikker… En zelfs een beetje verslaafd aan de cocaïne… Maar dat was een kleinigheid… Daarna kwamen ze op het idee dat ik uit Frankrijk had moeten vluchten omdat ik een paar bijzonder ernstige misdrijven op m’n geweten had.” (vertaling E.Y. Kummer) Bardamu moet daarna alle retorische zeilen bijzetten om levend in Kameroen aan te komen.
In de bootpassage van Dood op krediet gaat de kleine Ferdinand met zijn ouders aan boord van een schip naar Engeland. Berooid als ze zijn, kopen ze de allergoedkoopste kaartjes, waar ze weliswaar een prachtig uitzicht hebben, maar waar het ook binnen de kortste keren een chaos van jewelste is omdat iedereen zeeziek over elkaar heen valt.

“Mijn moeder glipte weg naar ’t hok voor de reddingsgordels… Zij was de eerste die begon te kotsen, zo van de brug, de derde klas in… Daar werd ’t even wat leger van, daarbeneden… (vertaling Frans van Woerden). En als er eentje over de dam is, volgen er snel meer. “Een woeste golf stormt op de reling af, dreunt tegen het dek, rijst omhoog, spat op, slaat neer, veegt het tussendek schoon… ’t Schuim voert alle afval mee, kolkt, bruist, spoelt om ons heen… We krijgen er van binnen… daar gaan we weer… Elke keer dat je naar beneden duikt, geef je de geest… als je weer omhooggaat krijg je ‘m terug, in een golf van slijm en stank… ’t Braaksel druipt uit je neus, ’t smaakt zilt. ’t Is te erg!…”

J.M.G. le Clezio: In volle zee (1999)

product_9782070755370_195x320
Hasard, zoals Le Clezio’s roman in het Frans heet, speelt zich af in andere, Le Clézio dierbare culturen. Hoofdpersoon in deze roman is het meisje Nassima, dochter van een Antilliaanse vader en een Franse moeder, dat zich verstopt aan boord van een prachtig schip voor de kust van het Zuid-Franse Villefranche. Het schip is eigendom van de beroemde, rijke cineast Moguer, die zich opmaakt om via La Palma en Tenerife de Atlantische Oceaan over te steken, naar Guadeloupe. De overtocht is magisch: dolfijnen, sterrenregens, de schoonheid van exotische baaien en het allesoverheersende gevoel van vrijheid wegen op tegen het stormachtige geweld van de elementen en de bij tijd en wijlen drukkende eenzaamheid. De raadselachtige relatie tussen Moguer en Nassima, hun overeenkomstige verleden, de verstilde sfeer en de poëtische kracht van Le Clézio’s taal, maken Hasard tot een hoogtepunt in zijn oeuvre.

Toine Heijmans: Op zee (2011)

Schermafbeelding 2015-08-20 om 12.32.13
Romandebuut van Volkskrant-journalist Toine Heijmans over vader Donald die zijn zeven-jarige dochter meeneemt op een ietwat onbesuisde zeereis van Denemarken naar Nederland. “De zee is tot veel in staat”, zegt Donald, “had ik begrepen uit die boeken. Al had het misschien meer met die zeilers te maken dan met de zee.” Tel daarbij de twee motto’s aan het begin van het boek op en je vermoedt al vroeg in Op zee dat Donald niet de betrouwbaarste zeiler van de wereld is. De twee motto’s zijn uitspraken van en over Donald Crowhurst, een Britse solozeiler die in 1969 doordraaide op zee en overboord stapte. Het soms wat sentimentele karakter van Op zee stond een groot internationaal succes niet in de weg: eind 2013 ontving hij er de prestigieuze Prix Médicis étranger voor, een Franse literatuurprijs voor de beste naar het Frans vertaalde roman.

Yann Martel: Life of Pi (2002)

Schermafbeelding 2015-08-20 om 12.32.39
Als Pi zestien is, emigreert hij samen met zijn familie en enkele dieren uit de dierentuin naar Canada. Het Japanse schip Tsimtsum zinkt op 2 juli 1977 en Pi belandt op een reddingsboot met de Bengalese tijger Richard Parker, een zebra, een hyena en de orang-oetan Orange Juice. Hij leert schildpadden doden, vliegende vissen vangen en waagt zich op een hongerige dag zelfs aan de uitwerpselen van de tijger. Na 227 dagen spoelt hij aan op de kust van Mexico.

Het overlevingsverhaal van Pi heeft alle ingrediënten van een allegorisch verhaal: de ark, de dieren, de miraculeuze overleving, de redding. Maar een dergelijke lezing druist in tegen de levensfilosofie van Pi. Het gaat niet om de moraal, maar om het betere verhaal. De jonge Pi wil hindoe, moslim én christen zijn, niet omdat hij niet kan kiezen en ook niet vanwege de boodschap die het geloof oplegt, maar om de verbeeldingsrijke, bizarre verhalen die erbij horen.

Anna Enquist: De thuiskomst (2005)

Schermafbeelding 2015-08-20 om 12.33.00
De thuiskomst heet het nieuwe boek van Anna Enquist, maar het had beter De thuisblijver kunnen heten.” Aldus een recensent van 8weekly over de derde roman van Christa Widlund-Broer, die schrijft onder het pseudoniem Anna Enquist. De cultuursite kon zich de kribbige opmerking permitteren omdat Enquist niet schrijft over ontdekkingsreiziger James Cook, die zich ergens op zee bevindt, maar over Elizabeth Batts, zijn vrouw, die thuis op hem zit te wachten. En dat terwijl Enquist het zichzelf qua documentatie makkelijker had kunnen maken met Cook dan met Batts: op een literatuurlijst achterin De thuiskomst twee pagina’s boeken over Cook, terwijl over Batts nauwelijks iets was geschreven. Of is dat nu juist een mooi uitgangspunt om fictie te schrijven?

Joseph Conrad: Heart of Darkness (1899)

Schermafbeelding 2015-08-20 om 12.33.24
Heart of Darkness is geschreven in de vorm van een raamvertelling. De anonieme ik-figuur beschrijft hoe hij met een paar vrienden op een boot in de Thames zit, wachtend op de wisseling van het getij, terwijl een van hen een verhaal vertelt. Dat verhaal is de eigenlijke inhoud van het boek, want als het verhaal af is, is het boek uit. De verteller heet Marlow. Hij is een zeeman die in opdracht van een Europese onderneming die in ivoor handelt als kapitein van een rivierboot een reis heeft gemaakt naar een afgelegen handelspost in het binnenland van Afrika. Het boek beschrijft die reis, eerst naar Afrika, dan de voettocht naar de bovenloop van de rivier en vervolgens de boottocht op die rivier. Het hoofd van de handelspost waarnaar hij op weg is, is een zekere Kurtz, een beroemde en beruchte handelaar. Beroemd omdat hij reusachtige hoeveelheden ivoor verzamelt, maar ook berucht omdat hij de naam heeft hierbij zeer wreed te werk te gaan. Een indicatie van die wreedheid ziet Marlow al direct bij aankomst, wanneer hij ontdekt dat de ornamenten op de omheining rond Kurtz’ huis mensenhoofden zijn. Kurtz is ziek en Marlow neemt hem mee terug naar de kust, maar Kurtz zal het einde van de reis niet halen. Hij sterft onderweg. Op zijn doodsbed, als hij zijn leven overziet, spreekt hij de beroemde woorden: “The horror! The horror!””