‘We zijn gewend te improviseren in Oezbekistan’ zegt de arts

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg doet er dagelijks verslag van.

De eerste avond in Tasjkent belanden we in een disco, een van de weinige plekken waar we laat nog kunnen eten. Er staan vijf mensen op de dansvloer, onder wie een gezette vrouw die goed kan dansen.

Alles in deze disco doet aan een bunker denken. Ik herinner me deze zinnen van Henry Miller uit De kreeftskeerkring: „We moeten in de pas, de paradepas naar de kerker van de dood. Er is geen ontkomen aan. Het weer verandert niet.” Oezbeekse techno komt uit krakkemikkige luidsprekers, maar de geest van Miller waart hier rond.

„Weet je wat ze zingen?”, vraagt reisgenoot Qader, die Oezbeeks verstaat. „‘Ik hou van je kleermaker.’”

Een mooie zin, die misschien iets over de Oezbeken verklapt. Ik houd niet van jou, maar van je kleermaker.

De dag erop blijkt Qader koorts en maagklachten te hebben, ik heb vooral maagklachten. We kopen medicijnen die volgens Qader nog uit de tijd van de Sovjet-Unie stammen en daarom uitstekend zijn.

Maar niets helpt.

„We zijn een verwend volk”, zegt Qader, „We redden het niet op deze wereld.”

„Wij Nederlanders?” informeer ik.

„Wij westerlingen.”

Ik kijk naar Qader. Zou dat het zijn wat ons bindt? Dat we allebei willen bewijzen dat we het redden op deze wereld, maar dat we het stiekem niet wíllen redden.

We zijn al uitgecheckt als ik voorstel toch een dokter te raadplegen. Afghanistan roept – Qaders moeder wacht op haar zoon – maar als je niets kan binnenhouden moet Afghanistan even wachten.

Binnen een half uur verschijnt een arts met twee assistenten. De hotelmanager kijkt toe.

De arts onderzoekt me en zegt: „Je moet naar het ziekenhuis.”

Een Oezbeeks ziekenhuis, dat lijkt me geen goed plan. Bovendien hebben ze daar geen wifi, ik moet mijn stukken versturen. Zolang ik leef, gaat de deadline door; als de deadline ophoudt, houdt het leven op.

„Ik ga niet naar een ziekenhuis”, zeg ik tegen Qader. „Zeg dat ik hier in alle rust in deze hotelkamer doodga, dat lijkt me beter.”

Ik drijf de arts tot wanhoop. Er wordt overlegd.

„Oké,” zegt de arts, „we zijn gewend aan improviseren in Oezbekistan.” Er wordt een infuus aan een stalamp opgehangen.

Het zuurstof in mijn bloed wordt gemeten. Ik moet aan mijn moeder denken, dat deden ze ook altijd bij haar. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ook mijn moeder me roept, maar waarom uitgerekend in Oezbekistan?

Wordt vervolgd