Column

Noem het misplaatste-trotsbelasting

Pieter van Os werkt als zzp’er in Warschau. Deze zomer doet hij wekelijks verslag van het thuiswerken.

De Amerikaan Josh Shoemake is voorlopig succesvoller als verkoper van onderbroeken met plastic ijsstukken erin dan als schrijver. Financieel dan. Over status durf ik niet te oordelen: zelf heb ik, anders dan Shoemake, nooit op een verjaarsvisite of etentje verteld dat ik onderbroeken verkoop die de vruchtbaarheid van mannen verhogen. Wellicht lachen mensen daarom. Het is altijd fijn als mensen lachen om je verhaal, al gaat het om je levensonderhoud.

De onderbroeken heten ‘snow balls’. Nee, Snowballs™; Shoemake heeft er patent op aangevraagd.

Een citaat van de bijzonder professioneel ogende site snowballsunderwear.com:

Snowballs™ is a scientificlly backed, patent-pending cooling underwear that was conceived as a natural fertility aid for men... as well as for all men who wish to benefit from practicing the cooling arts.

Met andere woorden: deze onderbroeken zijn cool. In elke zin van dat Engelse woord. O ja, enige benodigde kennis: verhitte testikels doden spermacellen.

Zoals gezegd, Shoemake is schrijver, gevestigd in Parijs. Het ondergoed laat hij vanuit Richmond opsturen, in de Amerikaanse staat Virginia. Het was een probeerseltje, maar het liep al snel zo goed dat de zzp’er heeft overwogen om zichzelf in verschillende personen op te delen: een marketing manager, een reizende verkoper, een CEO, een telefonist, enzovoorts.

Schrijvers komen vaker op zo’n idee. Niet lang nadat Arnon Grunberg van het gymnasium was gestuurd, was hij begonnen als uitgever. Kasimir heette de uitgeverij, met stichtingsbestuur en al. Om het bedrijf groter en indrukwekkender te laten lijken, bedacht hij een redacteur, Herman Yves, een ‘hoofd afdeling produktie’, met de naam M.B.J. Schmidt, en een boekhouder. De meeste brieven schreef hij als M.B.J. Schmidt en na verloop van tijd kreeg hij via zijn eigen en enige telefoonlijn voortdurend telefoontjes voor M.B.J. Schmidt. Dan vroeg hij om een ogenblik geduld, om even later opnieuw in dezelfde hoorn te praten met een net andere stem.

Grunberg deed het om indruk te maken, schreef hij in een terugblik. Niet omdat hij zo succesvol was. Toen ik zelf mijn eerste factuur schreef, was ik ook bang dat mijn eenmansbedrijfje niet indrukwekkend genoeg leek. Boven rekeningen staat een ‘volgnummer’, dat had ik wel gezien. Maar toen ik wilde invullen: ‘1’, of ‘ 001’ (dat laatste leek me al iets professioneler), vond ik dat opeens genant. Wat zou de opdrachtgever die deze rekening ging voldoen wel denken? ‘Is dit pas zijn eerste factuur van het jaar? Het is al maart!’

Je moet nooit voor een ander denken, zo hebben opeenvolgende vriendinnen mij door de jaren heen uitgelegd. In dit geval wil ik ze gelijk geven. Voor je het weet zet je ‘60’ achter ‘volgnummer’.

Ik heb later gehoord wat er dan met je gebeurt. De Belastingdienst vraagt maanden of jaren later, bij de controle over je aangifte: „En waar zijn de eerste 59 rekeningen?” In het slechtste geval doen ze een schatting en dan moet je daar alsnog belasting over betalen. En ze hebben nog gelijk ook. Noem het een foolish pride tax. Of in goed Nederlands: misplaatste-trotsbelasting.