Column

Op ’n mooie dag (slot)

Onze poes deinsde geschrokken terug toen haar bazin na een weekje afwezigheid op krukken naar binnen strompelde. Nu al terug? En wat waren dat voor lompe, dreigende stokken? Toch geen stokken om de kat te slaan? „Het vrouwtje is gevallen”, probeerde ik nog, maar ze luisterde niet en verdween ontgoocheld naar een ander vertrek.

Mijn vrouw had nooit eerder op krukken gelopen en was zich daar ten volle van bewust. Ze deed nog het meest denken aan een kind met watervrees op de eerste zwemles; elke stap vooruit kon fataal zijn.

Ik heb het zelf ook nog even – heel even – geprobeerd en kreeg meteen groot respect voor al die gehandicapten die zich manmoedig kruksgewijs door het straatbeeld bewegen. Het is nog veel moeilijker dan het lijkt.

Het duurde dagen voor de poes gewend was aan die hortende tred van iemand die bang is haar evenwicht te verliezen. Maar katten zijn overlevers en kunnen zich aanpassen als dat moet. De onze is geen schootkat, ze wil wel gestreeld worden, maar alleen door een streler naast haar op de grond. Juist dat was voorlopig niet meer mogelijk en dus besloot ze dapper nu eens geen audiëntie te verlenen, maar een dagelijks staatsbezoek te brengen - zelfs aan die schoot boven dat afstotende gips.

Ik keek er met een mengeling van sympathie en compassie naar. Compassie? Ja, want zo’n kat heeft nergens om gevraagd, die weet niet waarom wij op vakantie willen – zij zelf heeft immers altijd vakantie – en welke risico’s wij op zo’n vakantie lopen, niet alleen op safari in Congo, maar ook op een wandelingetje aan de Nederlandse kust.

De kat blijft in z’n eentje achter en moet maar afwachten wat er gebeurt. Komt de oppasser elke dag op tijd met de maaltijd, verschijnen er opeens luidruchtige Airbnb-huurders, misschien zelfs met hond, of heeft Poetin snode plannen met het vliegtuig van baas en bazin?

Ook voor katten kan zo’n vakantie op een ramp uitlopen. Ik merkte het zelf toen ik na terugkomst door de Jordaan liep. Op een raam aan de Tweede Laurierdwarsstraat hing een opsporingsbericht voor een grijze, gecastreerde Britse korthaar, Roger geheten, die sinds 12 juli zoek was. Roger was 10 jaar en altijd een binnenkat geweest. Zijn eigenaren hadden hem voor de duur van hun vakantie op een adres in de Jordaan ondergebracht. Daar was hij al meteen op de eerste avond „uit het raam geklommen”. „Wij vermoeden dat hij zich hier ergens in de buurt schuilhoudt”, schreven de tijdelijke oppassers.

Ik was blij dat ik niet in hun schoenen stond. Daar staan de kattenbaasjes voor de deur! „Hallo! Goeie vakantie gehad? Fijn, kom binnen, let niet op de rotzooi – nee, niet van de kat, want die was al vanaf de eerste avond foetsie. Tja, uit het raam geklommen. Waarom? Omdat het openstond. Wij dachten nog: zo’n binnenkat wil natuurlijk helemaal niet naar buiten, maar ja, zo’n beestje voelt zich buiten misschien tóch gelukkiger. Anyhow, we hebben gedaan wat we konden, maar hij kwam niet meer terug. Misschien moeten we het samen nog even proberen, omdat hij naar jullie beter zal luisteren.’’

En daar loop je dan met z’n allen, drie weken te laat, op een mooie zomeravond door de Jordaan, tikkend op een schoteltje en vertwijfeld roepend: „Ro-ger, Ro-ger!”

De God van de katten wil niet dat wij op vakantie gaan. Hij straft met gips – of nog erger.