Column

Op het hakblok van de beschavingshistorie

Een vriendelijke lezer stuurt mij zijn in eigen beheer uitgegeven boekje over allerlei klerikaal ongerief: antisemitisme en kindermisbruik binnen de katholieke kerk in onderling verband. De sympathieke publicatie lijkt me helaas geen zinvolle bijdrage aan het publieke debat. Toch ben ik steeds geroerd wanneer medemensen alles op alles zetten om hun inzichten ingang te doen vinden. Werden thans met ere genoemde denkers als Freud of Fourier in hun tijd niet ook soms voor gek verklaard? Nou dan! Wie in het pantheon van de geestesgeschiedenis belandt en wie op het hakblok der vergetelheid, staat pas vast als je het geprobeerd hebt.

De historicus Piet de Rooy doet nu een even vermakelijke als serieuze biografie (De Nederlandse Darwin) het licht zien over zo’n klant voor het hakblok: Herman Bernelot Moens (1875-1938). Deze autodidact stelde zijn leven in dienst van de zoektocht naar de veronderstelde missing link in Darwins evolutietheorie. Als de homo sapiens afstamt van antropomorfe apen, waar ligt dan de grens tussen mens en dier? Opzien baarde in 1907 Berthelot Moens’ plan voor een grootscheeps onderzoeksproject in Frans Congo, waarbij mensen en apen gekruist zouden worden, in de hoop op de geboorte van wezens die de missing link zouden belichamen – aldus korte metten makend met dominees, pastoors en andere kwezels die zich verzetten tegen de bevindingen van de moderne wetenschap.

Ondanks de belofte van kunstmatige inseminatie wees de Nederlandse regering zijn subsidieverzoek af. Financieel toeschietelijker was koningin Wilhelmina – wellicht omdat Berthelot Moens, als bijvangst van de kruisingsexperimenten, ook nader inzicht in de volksziekte syfilis beloofde.

Toen het Congoplan een non-starter bleek, vertrok de ondernemende onderzoeker naar de Nieuwe Wereld. Sociale intelligentie kan hem niet ontzegd worden – steeds vond hij geleerde of gefortuneerde beschermheren, en dito dames. Al schedelmetend en anatomische foto’s makend – ook aan de labia minora bij vrouwen van verschillend ras viel veel af te leiden – kreeg hij een hekel aan de rassendiscriminatie in de Verenigde Staten. Actieve vermenging van blank, zwart etcetera leek Berthelot Moens de juiste weg naar een harmonische samenleving – een inzicht waaraan hij tussen de lakens menigmaal persoonlijke consequenties verbond. Zijn emancipatoire ideeën, levenswandel en dat hij abusievelijk voor een Duitse spion werd aangezien, leverden hem de aandacht van de FBI en een geruchtmakend strafproces op. In 1926 keerde hij terug naar Europa, en was met name in Parijs nog lang een veelgevraagd publicist en lezinggever.

Een charlatan? De Rooy mijdt die term zorgvuldig. En terecht: Berthelot Moens opereerde binnen antropologische paradigma’s die het niet gehaald hebben, maar waarvan hij in zijn tijd geenszins de enige aanhanger was. Een dwaallicht in de beschavingsgeschiedenis blijft een lichtje. Hopelijk belandt dit vrolijke boek niet per ongeluk op de humorloze redactie van The Washington Post.