Ik ben nooit eerder zeeziek geweest. Het is zoals ik had verwacht

Het Noorse schip Lehmkuhl is vanaf vandaag te zien tijdens Sail in Amsterdam. De afgelopen dagen voer het schip van het Duitse Bremerhaven naar Amsterdam. nrc.next-redacteur en landrot Anne-Martijn van der Kaaden monsterde aan en hield een logboek bij. Ze hield ‘s nachts de wacht, stond aan het roer en ging over haar nek.

Zondag 16 augustus

17.00 „Sorry, deze moet ik innemen”, zegt de Noorse sersjant. Zijn naam is Jesper en hij heeft een oorbel en een baard. Mijn paspoort is zojuist verdwenen in een laatje van zijn bureau: dat zijn de regels. Ik krijg er een sleuteltje met een witte hanger met het nummer 120 voor terug. Het sleuteltje is van een houten locker, de komende drie dagen mijn heiligdom. De hanger geeft de kleur aan van mijn shift. Er zijn zes shifts per etmaal, zegt Jesper. De white watch duurt van vier tot acht uur. „Am and pm”. Op het dek heet kapitein Jarle O. Flatebø, een vijftiger met kort grijs haar en dito baard ons welkom. Ik leer mijn eerste Noorse scheepsterm: „Hoy!” („Ja!”) Mijn leven aan boord van de Statsraad Lehmkuhl is begonnen.

19.24 We varen de haven uit. De mensen op de kade zwaaien. Sail in Bremerhaven heeft het karakter van een kermis. Ik zwaai terug. Dag, Duitse mensen. Dag, reuzenrad. Dag Bratwurst en Backfisch in Bierteig. De bemanning op de brug heeft geen oog voor de menigte op de kant. Met strakke gezichten kijken ze voor zich uit. Zij moeten het schip veilig de haven uit manoeuvreren, door een smalle brugopening en een sluis. De kapitein staat op een uitkijkpost aan bakboordzijde. Hij praat in zijn portofoon, roept bevelen in het Engels naar de matroos achter het roer.

23.59 Ik ben een pakketje mens. Zachtjes schommel ik heen en weer in mijn vaalrode hangmat. Om mij heen schommelen zo’n honderd medepassagiers, die betalen voor de reis maar ook actief moeten meedoen. We zijn inmiddels op volle zee. Bovendeks luidt iemand de scheepsbel. Ding-ding, ding-ding, ding-ding, ding-ding. Acht keer, het teken dat het tijd is voor de wisseling van de wacht. Nog vier uur en dan ben ik aan de beurt. Mijn wangen gloeien. Ik wil slapen maar ik weet niet hoe. Ik ben niet gewend aan een wiebelend bed.

Maandag 17 augustus

03.34 Licht. Iemand heeft het licht aangedaan. Het schijnt vol in mijn ogen. „Goedemorgen, white watch!” roept een luide stem. „Het is tijd om op te staan en het schip door de nacht heen te loodsen. Trouwens, het is een beetje regenachtig.” Ik wankel naar mijn locker en trek mijn zeilpak aan. Buiten op het dek is het pikdonker, regendruppels slaan in mijn gezicht. Ik voel me alsof ik gisteravond twee flessen wijn achterover heb geslagen. Ineens snap ik waarom het niet is toegestaan om aan boord alcohol te drinken.

04.00 „Nummer 119 en 120!” Ik schrik op. 120, dat ben ik. „Hoy!” Oscar, de watch leader, vraagt of we op de uitkijk willen gaan staan. Nummer 119 is in geen velden of wegen te bekennen. Als een duizelige zombie zwalk ik richting het voordek. Achter me hoor ik iemand luidruchtig over zijn nek gaan. Wat zijn mensen toch een simpele wezens. Een paar uur op zee en onze lichamen zijn volledig de weg kwijt. De twee Duitse vrouwen op het voordek zijn blij om mij te zien. Ze vragen: „Ben jij onze verlosser?” De instructies zijn niet ingewikkeld. Zodra ik iets zie moet ik – letterlijk – aan de bel trekken. Een keer voor stuurboord, twee keer voor bakboord. Drie keer als het object zich recht voor ons bevindt.

04.18 Knikkende knieën. Kokhalzen. Kippenvel. Ik ben nog nooit zeeziek geweest. Het komt aardig overeen met mijn verwachtingen. Mijn positie op het voordek helpt niet mee. De golven tillen de boeg van het schip, met mij erop, metershoog de lucht in, alsof ik in het schommelschip in de Efteling zit. Maar dan dronken. „Oké”, zeg ik tegen mezelf. „Diep ademhalen. Het gaat. Het gaat. Het gaat.”

04.20 Het gaat niet. Ik klim zo snel ik kan het trappetje af. Een dek lager naar de ‘witte trompet’, een soort ijzeren trechter die uitkomt op zee, speciaal voor dit soort gelegenheden. Met twee handen klamp ik me aan het ding vast. Ik ruik het braaksel van mijn voorgangers. De tranen springen in mijn ogen als ik overgeef. Na een paar minuten voel ik me, godzijdank, een stuk beter.

05.11 Er schijnt ergens een lijst te hangen waarop ik kan zien wat mijn volgende post is, maar de lijst is nergens te vinden. Ik voel een tweede golf misselijkheid opkomen. Op het achterdek, een relatief rustige plek op het schip, zit ook een wachtpost. Misschien moet ik daar mijn diensten aanbieden. Eén van de matrozen in opleiding ziet me lopen. „Mevrouw? Zou u ons kunnen helpen met het schoonmaken van de toiletten? De rest is te ziek.” Wc’s boenen om kwart over vijf in de ochtend – ach, waarom ook niet. Als ik straks weer moet overgeven ben ik tenminste op een geschikte plek.

06.00 Het is licht geworden. Verspreid over het dek zitten zielige hoopjes mens. Eén man zit al twee uur op het rokersbankje met zijn hoofd tussen zijn knieën. Oscar heeft goed nieuws: we gaan de zeilen hijsen. Of nou ja: drie zeilen, van de twintig. Het is een begin. We krijgen instructies. Als hij op zijn fluitje blaast moeten we zo hard mogelijk aan de vallen trekken. „Kom op!” is gek genoeg het commando voor loslaten. De grote katrollen worden door de bemanning widow makers genoemd – als ze tegen je hoofd aan zwiepen kun je het waarschijnlijk niet navertellen.

07.05 Het laatste uur mag ik aan het roer staan. Het stuurwiel is, zoals alles aan dit schip, gigantisch. Volgens het kompas varen we richting het zuidwesten. Ik heb geen idee wat ik aan het doen ben. Mats, een 18-jarig bemanningslid met blauwe pretogen, loodst me erdoorheen. „Twee graden meer naar stuurboord. Probeer het roer stabiel te houden.” „Zo ja, heel goed.” „Nee, te ver!”

08.14 Het ontbijt sla ik over. Ik blijk niet de enige te zijn, vrijwel niemand is naar de eetzaal gekomen. Ik kruip nog even in mijn hangmat.

11.20 Lunchtijd. Net als de meeste passagiers heb ik mijn eetlust hervonden. Inmiddels heb ik sommigen van hen wat beter leren kennen. Fabian Martens, een 19-jarige jongen die net is geslaagd voor zijn vwo, vertelt dat hij in september begint aan de opleiding tot maritiem officier. Hij weet alles van tall ships en vindt de Statsraad Lehmkuhl de mooiste bark die er is. Op het dek spreek ik een tijdje met Michaëla Gärtner (53) uit Bremerhaven. Ze heeft niet lang meer te leven. Ze heeft borstkanker en is uitbehandeld. Haar man is kapitein, vertelt ze. Hij heeft als verrassing deze reis voor haar geboekt. Urenlang zit ze in haar rode windjack in de regen, met een glimlach op haar gezicht.

16.01 De witte wacht mag het want in. Bij moderne zeilschepen gebeurt het hijsen en strijken van de zeilen bijna helemaal automatisch, hier gaat alles met de hand. En dat betekent: de mast in. Geharnast klauteren we tot het eerste platform van de grote mast. Zo’n twintig meter onder ons gaat de Noordzee tekeer. We moeten nu ergens boven Ameland zitten. In de verte varen containerschepen. Het uitzicht is adembenemend.

20.00 De wacht zit erop. De afgelopen uren heeft het onophoudelijk geregend en mijn zeilpak is doorweekt. Oscar rookt een sigaret op het dek. Zijn onderarmen zitten onder de tatoeages. Zeelieden lieten ze zetten uit bijgeloof of als teken van verdienste. Wie meer dan 3.500 mijl heeft gevaren mag bijvoorbeeld een spreeuw laten tatoeëren. Oscar heeft er ook een, onder zijn rechtersleutelbeen. Op zijn ene onderarm staat een anker, op de ander een pin-up girl. Een klassieke zeemanstatoeage. „Zo hebben we op zee altijd een meisje om naar te kijken.”

Dinsdag 18 augustus

15.22 Nog ongeveer een uur en dan zullen we de haven van IJmuiden binnenvaren. De kapitein spreekt ons toe in de eetzaal. Het was een voorspoedige reis, zegt hij. We zijn er iets eerder dan verwacht. Omdat de meeste passagiers in IJmuiden van boord gaan, krijgen we nu een diploma uitgereikt. Daar staat het, vlak boven de zwierige handtekening van de kapitein: „Afgelegde afstand aan boord van de Statsraad Lehmkuhl: 260 nautische mijlen.”

Woensdag 19 augustus

06.00 Een luid „God morgen!” („Goedemorgen!”) en weer dat onerbiddelijk felle licht. Over een uur moeten alle passagiers van bood. Om 10.00 uur begint de Sail-In parade en de bemanning wil - letterlijk - schoon schip maken. Op het dek is een cateringploeg al een uur in de weer. Samen met Kristian, een van de matrozen, boen ik nog een keer de toiletten. Hij heeft tot 04.00 uur in de kroeg gestaan maar dat is niet aan hem te merken. Opgewekt vertelt hij over zijn avond. „We waren nog geen vijf minuten binnen en iedereen liep al met een ontbloot bovenlijf, gaat dat altijd zo in Nederland?” Wacht maar tot we in Amsterdam zijn, zeg ik.