Hoezo moet je je niet verzetten?

Geen Stijlverslaggever Jan Roos werd niet bepaald serieus genomen toen hij meldde slaags te zijn geraakt op straat. Volkomen onterecht, vindt Ebru Umar.

illustratie ruben l. oppenheimer

Op een donderdagavond wacht ik in een donkergrijze Mercedes station, die niet van mij is, op het Jaarbeursplein in Utrecht rond 23 uur op vrienden. Het plein is aardig verlicht, althans in zoverre dat ik mijn vrienden de roltrap zie afkomen. Een dame van 70 en haar dochter van mijn leeftijd. Ik stap uit met mijn telefoon aan mijn oor. En voor ik het weet staan er drie Marokkanen om me heen.

Waar ze vandaan komen: ik weet het niet. Hoe ze me herkennen, geen idee. De drie gastjes zijn ouder dan vijftien, jonger dan vijfentwintig. Ze claimen met me op de foto te willen. Ze claimen ‘fan’ te zijn. Ze claimen van alles en staan met z’n drieën om me heen terwijl ik mijn vrienden probeer mijn kant uit te dirigeren. De telefoon probeer ik weg te stoppen.

Nu weet ik dat er mensen zijn in Nederland die me kennen maar ik ben géén Chantal Janzen. Mensen willen niet met me op de foto en zeker niet om 23 uur op Utrecht Centraal. En Marokkanen spreken me negen van de tien keer aan met kankerturk (vriendelijk) of kankerhoer (gebruikelijk). Uit ervaring weet ik inmiddels dat er dan maar één ding op zit: tegengas geven. Wat ook precies is wat ik doe: „Hou op, dat gaan we niet doen. Ik ben hier om iemand op te halen, kom op nou, wegwezen.” En doorlopen naar de achterkant van de auto om de kofferbak te openen. Mijn vrienden hebben me inmiddels gezien en komen zwijgend op me af. Terwijl zij inladen, probeer ik de jongens weg te krijgen. „Ik ga niet met je op de foto. Kom maar naar een METRO-bijeenkomst, dan krijg je alle foto’s die je wilt, maar nu niet.” Wonder boven wonder lukt dat zonder kleerscheuren. En zonder foto’s.

Mijn vrienden zijn geïntimideerd. Drie gastjes zomaar uit het niets om mij heen. In het donker op een leeg plein. Ik haal mijn schouders op, we stappen in en ik weiger er verder over na te denken. Dit is mijn leven; niet een incident.

Afgelopen week werd GeenStijl-verslaggever Jan Roos belaagd door een groep ‘jongens’ of ‘hangjongeren’, zoals diverse media schreven. Mooi geschreven, ik maak er gewoon Marokkaanse jochies van, want ik ben liever duidelijk. Ze wilden hem aanvallen, zegt hij, maar Roos koos de verdediging. Iets wat de politie mij ooit afraadde: ‘Als je belaagd of beroofd wordt, werk je mee’. Ik beloofde het met tegenzin – om van ze af te zijn, wetende dat ik het nooit zou doen. De dood of de gladiolen, je blijft van me af. Dat Roos zich verdedigde, wordt door journalisten die nog nooit een Marokkaan van dichtbij hebben gezien, en de rest van Nederland die dat ook niet heeft gedaan, in twijfel getrokken. Hij verzint het, bovendien kun je je tegenover twaalf man niet verdedigen.

Als je geen ervaringsdeskundige bent, reageer je op die manier ja. Maar iedereen die wél eens is aangevallen, weet dat dit tuig laf is en in groepjes opereert. Marokkaans tuig is nooit alleen als ze je kankerhoer noemen of klappen beloven. Dat is niet stoer, ze hebben een publiek nodig. De kleinste groep die ooit om me heen stond én klappen uitdeelde was met z’n tweeën. De grootste met z’n vijven. Elke keer weigerde ik me klein te maken. „Kankerhoer je moeder! Wie denk je wel niet dat je bent, uitkeringstrekker? Draaideurcrimineel! Klappen? O ja joh? Want? Hou ‘es op zeg.” Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om mijn mond te houden. Geen haar op mijn hoofd dat voor die gladiolen kiest (sorry mama). Marokkanen in groepen zijn best oké: ze zijn laf. Daar kun je, ook als ongewapende vrouw van 1.60m gerust op afstappen. Mét een grote bek – ‘dit is niet mijn Nederland, vriend’ – en een houding van ‘I own this place’. Dus dat Jan Roos dat ook doet: zonder twijfel.

Vervolgens die aangifte die Roos niet gedaan heeft. En terecht. Ik héb tig keer aangifte gedaan. Ik kan er een boek over schrijven. Kansloos. Gebeurt niks mee. Roos heeft die ervaring ook.

Tot slot de journalisten die Roos’ verhaal in twijfel trekken: Ga. Je. Schamen. Eva Jinek voorop. Als je twijfelt aan iemand, dan confronteer je hem ermee. Dan laat je niet Peter R. de Vries in je programma opdraven om de zaak te bespreken maar roep je Roos zelf op het matje. Maar ja, als Jinek dat zou doen, zou ze ‘hem belangrijk maken’ en ‘dat is hij me niet waard’. Dit zei Jinek tegen me over Roos in een gesprek de week voordat hij werd aangevallen. Ik had beloofd het niet in mijn vorige NRC-artikel te gebruiken, want het was op dat moment niet relevant.

Deze keer zou ze Roos natuurlijk wél uitnodigen, daar twijfelde ik niet aan. Helaas. Bij de NPO zijn niet alleen vrouwen met een gefundeerde mening niet welkom, ook journalisten met een wat andere aanpak moeten klein gehouden worden.

Dat Roos’ verhaal klopt, ik twijfel er niet aan. Been there done that en als je niet handelt zoals hij, eindig je op het journaal. Als openingsbericht want dood. Dus reed een Duitse vriendin na mijn zoveelste treffen met Marokkanen deze week speciaal naar Amsterdam om me een voorraad pepperspray te brengen ‘voor in al je tassen’. Ik heb Jan Roos wat aangeboden. Hij weigerde want ‘dat is een verboden wapen’.

En ja, daar heb ik een screenshot van.