#DvdW: uitstapje naar de Hongaarse literatuur. Speciaal voor Sint Stefanus

Voor zijn Dagkalender van de Wereldliteratuur bekijkt journalist en schrijver Pieter Steinz dagelijks wat er actueel is in boekenland. Vandaag, ter geleden van Sint Stefanus, de nationale feestdag van Hongarije, een uitstapje naar de Hongaarse literatuur.

‘Hongarije is een literaire grootmacht,’ zei de feestredenaar Péter Esterházy in 1999, toen zijn land Schwerpunkt was op de Frankfurter Buchmesse, ‘alleen de taal, die is een kerker.’ Drie jaar later werd de celdeur op een kiertje gezet door het Nobelprijscomité van de Zweedse Academie, die haar 99e literatuurprijs toekende aan Imre Kertész.

Het Hongaars promoveerde naar de eredivisie van Nobelwaardig bevonden taalgebieden – iets wat onder andere het Nederlands, het Indonesisch, het Hindi en het Swahili nog moeten doen – maar helemaal tevreden waren de Hongaren niet. De joodse Kertész (1929), die voornamelijk over zijn ervaringen in Auschwitz schreef, was altijd beschouwd als een vreemde eend in de bijt. Liever hadden de Magyaren de bekroning zien gaan naar een van de twee ‘Péters’ die in de jaren zeventig en tachtig het postmodernisme als wapen hadden ingezet tegen de communistische dictatuur. Maar Péter Esterházy (1950) en Péter Nádas (1942) waren waarschijnlijk nog te jong voor de Zweedse Academie.

Hongarije mag overigens niet klagen, zeker niet als je beseft dat het gaat om een klein taalgebied met elf miljoen sprekers en een romantraditie die pas halverwege de 19e eeuw uit de grond werd gestampt omdat de Magyaren zich binnen het Habsburgse Rijk als cultuurvolk wilden profileren.

Voor meer afleveringen van deze ‘Dagkalender’, zie The Global Reader.

Pieter Steinz zit op Twitter.